Posts tonen met het label middenoosten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label middenoosten. Alle posts tonen

zondag 23 juli 2023

Piramide te paard

 

Mei 1990, een weekje naar Cairo. Toen was dat met afstand de grootste stad waar ik ooit geweest was. De drukste, de meest chaotische, de heetste. De lastigste plaats om je hotel en je vervoer en je eten te regelen.

Natuurlijk wilden we ook naar de wereldberoemde pirami­des van Giza. Vanaf een hoger punt in de stad kon je de toppen boven de horizon zien uitsteken, ook al lagen ze 10 km verderop. Toen we het hotel uitkwamen, sprak een stu­dent ons aan, hij zou graag zijn engels oefenen. Hij was ook zo vr­ien­delijk ons te begeleiden in de taxi naar de piramides. De aan­komst was al indrukwek­kend, hoe die gigantische driehoekige monumenten omhoog rezen uit het woestijnzand. Onze student leidde ons langs een kleurrijk terrein waar paarden- ezels- en kamelen-ritjes werden aange­boden, naar een stoffig pleintje iets ver­derop, waar zijn neef een ritje te paard aanbood. Eerst een rondje om de piramides heen, alvorens er in te gaan, leek me wel wat. We onderhandelden een heel gunstige prijs. Ik vond paarden wel een beetje eng, maar door het mulle zand lopen leek ook geen goed idee.


Met wat hulp bestegen wij en onze begeleider de paarden en gingen op pad. Stapvoets door het witte woestijnzand langs de eerste piramide. Toen rechtdoor langs wat hutjes die aan een groene strook langs wat water lagen. Dat was wat verder dan ik verwacht had. We gebaarden eens vragend en er werd terugge­baard als 'een stukje verderop moeten we zijn'. Nou ja, we zouden wel zien.

Na een tijd begon de woestijn weer. De begelei­der gaf wat klikjes met z'n tong en de paarden gingen in galop. Het enige wat je nog kon doen was proberen je vast te klampen aan het paard, maar daarbij werd je vreselijk door elkaar geschud. En maar hopen dat dat paard ook in de buurt van de begeleider wilde blijven - al waren de onderlinge afstanden soms honder­den meters. Op deze manier viel er weinig te genieten van het onwezenlijke landschap van zand en glooiende zandrotsen.

Dieptepunt was toen mijn paard jeuk kreeg en even op z’n rug in het zand wilde schuren en rollen. Ik  kon er net op tijd afspringen om niet in de verdrukking te raken. De begeleider zette ons allebei weer rechtop. En verder ging het. We hadden intussen geen flauw idee waar we waren. Met de begeleider konden we niet communiceren en op eigen gelegenheid door de woestij dolen was ook geen optie. Ik had geen behoefte te ontdekken waaraan je eerder ten prooi zou vallen: de dorst of de hitte.


Na een paar uur (!) maakten we een korte stop in een tent in de woestijn. Niet ver daarna dook op wat als 'het doel' werd aangeduid: een door de tijd aangetaste trap-piramide. Ernaast waren opgravingen van gangen met muurte­keningen etc, waar we rondkeken. Pas later zou blijken op wat voor bijzondere plek we waren: de piramide van Sakara (Saqqarah), die 30 kilometer ten zuiden van Giza ligt, en met 4650 jaar voor zover bekend de álleroudste is.



Alleen... terug met die paarden? Onze begeleider duidde nog aan dat de terugrit inbegrepen was. Maar daar hadden we helemaal geen zin in. Bovendien zouden we het niet voor het donker halen. Gelukkig was het eenvoudig een auto als 'taxi' te charteren, terug naar Cairo.

De volgende dag reisden we bont en blauw naar Luxor. Alles deed pijn. Op de terugweg zijn we nog extra rechtstreeks van het vliegveld naar Giza gegaan. Zo hebben we alsnog de piramides van dichtbij en van binnen gezien.


Mei 1990, December 1995, Juli 2023

Meer

Meer reisverhalen en anekdotes uit het Midden Oosten.

dinsdag 8 november 2022

Uitgedroogd in Syrië (1997)

25 jaar geleden maakten J en ik een reis door Syrië. Een prachtig land met veel geschiedenis, veel monumenten en een bijzonder hartelijke bevolking. De familie Assad had alles toen nog zo goed onder controle, dat je daar als bezoeker niets van merkte. We bekeken de graftombe van Johannes de Doper in Damascus en Romeinse bouwwerken in Palmyra. Daarna staken we de woestijn door naar Deir-ez-Zur, een levendige stad aan de oever van de Eufraat. Daar wandelden we over de brug en zetten voet in Mesopotamië – het land tussen Eufraat en Tigris dat wel als de wieg van de beschaving gezien wordt.


Een van de belangrijkste steden uit de oudheid was Dura Europos. Sinds ongeveer 300 n Chr. is het verlaten en om het archeologisch belang aan te duiden wordt het wel het “Pompeï van de woestijn” genoemd. Daar wilden we wel rondkijken. Het lag zo’n 90 km van Deir-ez-Zur, aan de weg naar Bagdad.


Vanaf de weg waar de bus ons afzette, was het nog 2 km lopen onder de schroeiende zon. De hoofdpoort was afgesloten, maar even verderop was een kleinere poort, met bewaker. Een oude man met mantel, hoofddoek en geweer. Waarschijnlijk stak hij de toegangsprijs in eigen zak, want een kaartje kregen we niet. Dura Europos was een leuke plek om rond te struinen. Het was helemaal verlaten en vooral stoffig en rotsachtig, oker- en grijskleurig. Er waren restanten van stadsmuren en -poorten, maar het meeste lag toch ondergronds. De Eufraat lag zo’n 50 meter lager, machtig stromend, met een groene strook erlangs.

We hadden ons bij zo’n belangrijke opgraving meer faciliteiten voorgesteld. We hadden geen proviand en drinken bij ons, dus het ontbreken van zelfs een eenvoudig stalletje langs de weg was een tegenvaller. We hadden ook geen idee of en wanneer een bus terug zou gaan. Onder de brandende zon begon de hitte en de dorst ons op te breken. We hadden nog één fles met een bodempje water erin. Iets om zuinig op te zijn. Teruglopend naar de weg filosofeerden we hoe we zouden reageren als de ander ineens die slok water op zou drinken? Hoe lang zou het duren voor het thuisfront ons ging missen, zich ongerust ging maken, een zoektocht zou beginnen?

Toen hoorden we stemmen. Ergens tussen de stadsmuren van Dura Europos en de weg bleken onder een vale, laaghangende tentdoek drie arbeiders te rusten. Ze gaven ons stukjes watermeloen. De zoete, sappige hapjes smolten in de mond en smaakten heerlijk, precies wat we nodig hadden. Nog een bekertje koud Eufraat-water erachteraan. Vriendelijke conversatie met veel glimlachen over en weer. Onze redders. We knapten er helemaal van op en waren weer vol goede moed. Bij de weg kregen we al snel een lift terug naar Deir-ez-Zur.

Wij waren gered, maar Syrië bleef een uitgedroogd land. Tien jaar later zouden watertekorten mede aanleiding zijn voor de protesten waaruit de opstand en de oorlog uit voortkwamen.

 

Deir-ez-Zur, 1997 – Amsterdam, 2002

zaterdag 5 november 2022

Geweren en Bedoeïenen, Jemen 1996 (2/2)

 

Oost: Marib

Dag zeven zouden we naar Marib gaan, 200km naar het oosten, laaggelegen in de woestijn.

Vervoer was vandaag wat moeilijker, vanwege Eid al Fitr reden er nauwelijks taxi's. Bij de taxi­standplaats vonden we aansluiting bij een klein groepje dat ook naar Marib wilde. Een aardige Soedanees, een rare snuiter, een oude man met een jongetje en een baasje in militair uniform met een machine­geweer. Die laatste wilde persé de onderhan­delingen voeren. Hij wilde een bodemprijs. Twee chauf­feurs hadden geen zin daarvoor te gaan en reden door. Bij de derde duurde de discussies eindeloos en soms ging het er hevig aan toe. Driftig werd dan nog eens de stapel geld geteld die de militair al had ingeza­meld. Dan moest iedereen weer wat bijleggen en werd er nog eens geteld.

Tegen elven vertrokken we eindelijk. Door rotsige bergen, overgaand in vlaktes van puin en gruis. Dan steenwoestijn met struikjes, uiteindelijk echte geelwitte zandduinen waar gitzwart vulkanische gesteente door­heen­ stak.

De militair zat de hele tijd met zijn geweer te hannesen, niet zo aangenaam want je wilde niet dat hij het per ongeluk op je gericht hield.

Toen ineens een harde knal en een stofwolk ín de auto. Dat was schrikken. We hadden een lekke band. Veel moeite om het reservewiel los te krijgen. Wachtend in de zinderende hitte langs de weg ging ons militairtje wat schietoefeningen doen. Al die tijd kwam er geen verkeer ach­terop. Uiteindelijk was het wiel vervangen, maar toen we wegreden liep het aan en rook je brandend rubber. Nog een keer stoppen en een stuk van de auto wegbuigen.

(Nieuw) Marib was een lelijke rij benzine­pompen langs de weg. Eerst cola in een restaurant, dan naar een hotel.

We wandelden terug naar de taxistandplaats. De temperatuur was hier heel wat hoger dan in het toch al aangename Sana’a; de wind was ook warm; door de droge lucht merkte je niets van zweet. We charterden een pick-up truck om ons naar Old Marib te brengen.

Old Marib lag op een kleine heuvel, hoogstens tweehonderd meter in doorsnee. Het waren de ruïnes van wat eens een dicht­bebouwde stad was met kleine steegjes en huizen van drie, vier verdiepingen hoog. Nu zag je de half ingestorte huizen; gaten; trappen die in niets eindigden; leem en stenen; boom­stammen die als draagbalk gediend hadden. Een spookachtige sfeer, terwijl er toch nog een paar gezinnen woonden. Het was heel vreemd hoe iets wat stuk en vervallen was toch (juist?) zo mooi en indrukwekkend kon zijn.

We lieten ons terugbrengen naar de taxistandplaats met de twee cafés. Het eenvoudigste had een terras. Daar gingen we wat drinken. We waren zelf weer evenveel bekijks als andersom. Een enkeling zei eens wat maar niemand kon Engels. In Marib was geen lokale vrouw te zien. Bijna alle mannen liepen met een groot geweer om de schouder. Een heel wat minder prettig gezicht dan de sierdolken in Sana’a.

Mannen in pick-up trucks reden af en aan en kauwden qat en dronken thee. Als zo’n groepje het terras op kwam, legden ze hun Kalasjnikovs op het lage tafeltje, zoals we dat tegenwoordig met onze telefoons doen. Dat had tegelijk iets gemoedelijks en iets vervreemdends.

Twee keer kwam er een pick-up-truck langs met militairen en een groot machinegeweer achterop gemonteerd. Op weg naar Marib en bij de ingang van het dorp ook veel meer controlepos­ten (dan naar Ibb) en we moesten ook geregeld ons paspoort laten zien. (Maar altijd waren ze vriendelijk en was het in orde.) Was het omdat we hier zo dicht bij Saoedi-Arabië waren of omdat de Bedoeïenen hier wel eens toeristen kidnapten?

De volgende ochtend maakten we een toertje langs de bezienswaardigheden rondom Marib. Eerst naar de 'nieuwe dam'. Opgetrokken uit stenen hield die water vast uit het kleine riviertje, waardoor in de omgeving landbouw mogelijk was en Marib kon bestaan.

Toen naar de 'oude dam', die 3000 jaar geleden dezelfde functie had. Dit was toen het land van de koningin van Sheba. Alleen de sluizen aan de zijkanten tegen de bergen waren nog enigszins te zien.

Vervolgens bezochten we twee opgravingen van wat ooit tempels of palei­zen geweest waren, met als meest karakteristieke acht, respec­tieve­lijk vijfeneenhalve kaarsrechte zuilen op een rij vlak naast elkaar. Verder veel zand, zand, zand.

Noord: Shihara (Shaharah)

Dag tien en elf. We hadden een tweedaagse privé‑tour bij het hotel geregeld. Ali was de chauffeur van onze 4wd Toyota landrover.

Halverwege de middag werd het terrein voor de 4wd. De weg was zand, keien, uitgesleten sporen, omhoog en omlaag. Vallei na vallei bestond uit droog uitziend land, dat verrassend veel bomen, akkers, struiken, bananen en cactussen opbracht. Andere stukken waren weer dorder en verlatener. Hier en daar een kudde witte schapen of zwarte geiten met in zwart gehulde hoedsters.

Na twee uur gehobbel reden we een ommuurd terrein op, een soort binnenplaats zonder buiten. De uitgang werd meteen geblokkeerd met een rotsblok. We werden 'overgedragen' aan de Bedoeïenen die de berg Shihara controleerden.

Achter in een van hún pick-up‑trucks, met boven op het dak van de cabine een met machinegeweer bewapend escorte, gingen we zwoegend in anderhalf uur de on­waarschijnlijk steile en slechte weg omhoog. Meestal niet meer dan stapvoets. Het uitzicht naar beneden was spectaculair. Enorme hellingen volgebouwd met terrassen.

Boven verscheen uiteindelijk Shihara. Shihara was een bergdorp op een 2500 meter hoge top, waar de rest van de bergen niet hoger dan 1500 meter was. Helemaal uit stenen huizen opgetrokken. Half vier waren we in het hotel, waar we eerst even thee dronken om bij te komen van de zware rit en het geschud. Daarna een wandeling door het dorp. De twee helften van het dorp lagen op twee bergtoppen, over het akelig diepe ravijn ertussen was een stenen boogbrug gebouwd. Onbe­grijpelijk hoe ze die 1000 jaar geleden hadden kunnen maken. De laagvlaktes aan weers­zijden leken inderdaad kilometers lager te liggen. Het pad van de brug omhoog terug naar het dorp maakte je buiten adem. De grote hoogte en de ijle lucht natuurlijk.

Daarna nog even door het dorp zelf gewandeld. Kinderen riepen ons na en waren ook later het enige geluid. Verder wandelden mensen heen en weer, maar was er vooral erg weinig te beleven.

Terug naar het hotel. De 'kamer' was prima, een lemen, fris beschilderde ruimte met in de muren uitgespaarde 'kasten' en zitmatten rondom. Het sanitair verdiende die naam niet: een gat in de buitenmuur en geen stromend water.

Er waren geen andere toeristen in het dorp, maar de Bedoeïenen wisten heel goed hoe ons geld uit de zak te kloppen. Het hotel was onverwacht duur, en onze onderhandelingspositie werd verzwakt omdat zij wel bewapend waren en wij niet. Als klap op de vuurpijl wilden ze nog eens 100 rial p.p. toen we om dekens vroegen. Dat ging toch echt te ver, en na een hele discussie ‑waarbij het ontbijt als ruilmiddel werd ingezet‑ kregen we ze zo. En allemaal even nors en onvriendelijk. Zo werd het vooroordeel dat de Jemenieten tegen de Bedoeïenen hadden aardig bevestigd.

Al met al had het toch wel wat van een ontvoering: we konden nergens heen; zij hadden de sleutel van de kamer; zij bepaalden hoe laat het licht aan en uit ging; zij schoven het eten naar binnen (wat trouwens best goed was: brood, rijst, omelet, bonensaus, zoete honingtaart).

Ik had het met het vallen van de avond steeds kouder gekregen en werd vervolgens echt ziek. Koorts. Koud, rillen, hoofdpijn en pijn in iedere spier en bot. Wat een ellende. Wat duurde die nacht lang.

Toen het licht werd mochten we opstaan. De zware rit de berg af ‑ ik mocht gelukkig voorin zitten. Beneden werden we na het betalen van nog een som geld 'teruggegeven' aan onze Ali. Liggend op de achterbank van de landrover ging het terug over de steppes, daarna over de asfaltweg. We deden nog een paar bezienswaardigheden aan, maar ik bleef in de auto slapen.

Meer



vrijdag 4 november 2022

Reizen met Ramadan, Jemen 1996 (1/2)


Sana’a

Jemen kent een moeilijke jonge geschiedenis. Al in de jaren negentig was het er vaak onrustig. In een relatief rustige tussenperiode ging ik er met J en S naartoe.

Om kwart over elf ‘s avonds landden we in Sana’a, de hoofdstad van Jemen. Ondanks de hoogte, 2300 meter, was het niet koud maar aangenaam koel.

In de hal voor de immigratie stonden al lange rijen. Heel langzaam en druppel voor druppel kwam er een koffer over de band. Uitein­de­lijk werd het steeds rustiger in de aankomsthal en bleven we als enigen over. Zonder bagage. Moeizaam werd een registratie-formulier ingevuld. De douane-beambten moesten speciaal teruggeroepen worden om onze handba­gage te controleren, eigenlijk werd de tent gesloten.

Buiten een typische lucht van kerosine en rotte eieren. We namen een taxi. In het centrum was het (tegen één uur!) onverwacht heel erg druk. Dwars door een paar overvol­le marktstraten, waar het verkeer zo nu en dan vast zat als er ook nog een tegenligger kwam. Dit was een effect van Ramadan dat we niet voorzien hadden.

Een maand lang mogen de Moslims van zonsopgang tot zonsondergang niet eten, drinken, roken, vrijen, etc. Veel activiteiten verplaatsen zich naar de avond en de nacht, en de dag komt maar langzaam op gang.

Het is per land verschillend hoe streng de Ramadan toegepast wordt; in Jemen kon je als buitenlander op je hotelkamer wel eten en drinken. Overdag op pad smokkelden we wel eens een ijsbonbon in onze mond; soms een slok water op een afgelegen plekje. Zo hielden we het wel vol tot we eind van de middag op onze kamer waren en nootjes, rozijnen en bananen gingen snoepen.

De volgende dag maakten we een wandeling door de oude stad. In tegenstel­ling tot de nacht was het nu bijna uitgestorven op straat. Tussen de ingepakte marktkraampjes was een enkele geopend, en hingen en sliepen wat mannen. Verder overal veel kleine kinde­ren, die je met open bruine kijkers aanstaarden. Half verharde wegen tussen de huizen, meestal 3 tot 5 verdiepingen hoog, bijzonder mooi, allemaal in oude stijl, steen, boogramen, afgestreken met gips, dikke houten deuren.

We dronken een kruising tussen koffie en thee met de hoteleigenaar, die ons graag van allerlei tips en tours wilde voorzien. Ze belden ook voor ons naar het vliegveld of de KLM maar er was nog geen nieuws te melden van de tassen.

In de middag maakten we nog een wandeling door de oude stad. Het was intussen al flink drukker aan het worden. Overal markt.

Wij bekeken vooral de kledingkraampjes en sloegen wat luchtige kleding in. Eigenlijk was het zo veel leuker de suk te bekijken, nu we echt wat te kopen hadden.

Verder veel te zien aan Jemenieten: mannen in colbertjes, rokken of lappen. Vrouwen meestal helemaal zwart, altijd het gezicht helemaal bedekt. Een geweldige sfeer om tussen rond te lopen.

's Middags kon je al wel volop etenswaren op de markt en bij kraampjes kopen. We kochten ook cola ‑die we in de winkel mochten opdrinken, wat later een uitzondering zou blijken‑ en nootjes voor op de hotelkamer.

Om zes uur gingen we er op uit om wat te eten. Net als alle Jemenieten, die klokslag zes aanvielen.

Zuid: Ibb

In het hotel van de niet zo strenge eigenaar kregen we zelfs ontbijt.

Vanuit Sana’a wilden we vier excursies in de vier windrichtingen maken. We lieten wat spullen in het hotel achter omdat we hier over een paar dagen toch terug zouden komen ‑ onze bagage hopelijk ook.

De was bus vol. Dan maar doorge­lopen naar een terrein verderop dat vol stond met service-­taxi's. Met zijn tienen in een Peugeot 504-station. Wij zaten gewoon klem, een kleine Arabier werd ge­plet.

Langzaam werd het steeds landelijker. Kale rotsige bergen en dalen. Op de bergrug soms een dorp, de dalen veelal akkers, waarvan de meeste er dor uitzagen en een enkele opvallend groen.

Na een uur pauze in een dorpje om te bidden

Na twee uur werd het écht bergachtig. We slingerden naar boven en hadden uitzicht op een spectaculair diepe en brede canyon ‑wel een kilometer‑ helemaal volgebouwd met terrassen. Nu keken we van bovenaf op lagere bergtoppen met organisch daarop gegroeide stadjes. Het was hier ook duidelijk natter, er groeide meer: rijst, bana­nen, wortels, bloeiende cactussen.

Na ruim drie uur kwamen we in Ibb aan. Een flinke stad tegen twee bergpunten waarop de vesting/fort en de oude stad lagen, op 1850 meter hoogte.

We liepen omhoog naar de oude stad, op de ene berg­top. Een unieke verzameling stenen toren‑huizen die zo dicht op en kriskras door elkaar stonden, dat er een waar doolhof tussen lag. Bovendien gingen de steegjes voortdurend omhoog en omlaag. Overal sprongen groepjes kinderen vrolijk om ons heen, soms in vodden, soms mooi aangekleed, soms verlegen, soms brutaal, steeds met grote bruine ogen.

We aten beneden in een restaurant met tl‑verlichting en rijen formica tafels. Bestellen ging met handen en voeten: aanwijzen wat op een andere tafel staat; nee gebaren tegen de kip; gebaren van het dopen van brood in een sausje: zet maar wat neer. Brood, rijst, saus‑in‑een‑ovenschotel‑met‑kaas en kip voor J en S. Cola werd van elders gehaald.

Daarna een wandeling door de lange hoofdstraat met allerlei winkeltjes en ambachtszaken (o.a. de halfronde 'glas‑in‑steen' ramen, deuren), cafés waar mannen waterpijpen rookten of qat kauwden; nieuwe gebouwen in traditionele stijl.

Je zag hier zo nu en dan ongesluierde vrouwen lopen, die een Afri­kaans uiterlijk en kleurige gewaden hadden. De vrouwen leken hier zo-wie-zo wat opener dan in Sana’a, ze keken of spraken je soms aan ‑ waar dan geen antwoord op te geven was. We zagen hoe drie in het zwarte gehulde jonge-meiden liepen te giechelen; eentje jatte een aardewerk potje van een stalletje; ze zagen dat wij het gezien hadden dus nog meer gegiechel.

Zuid: Jibla en Taiz

Vanuit Ibb maakten we een excursie naar Jibla en Taiz. We namen de service-taxi naar Jibla, een klein stadje nog geen 10km van Ibb. De aanblik van beneden af, hoe het tegen de helling lag, was fantastisch. De rood-witte minaretten staken fel af bij de zandrotskleurige huizen. De grote moskee lag te pronken boven de vallei. We wandelden door wat smalle straat­jes ‑een paar kraampjes vormden de markt‑ naar de moskee en mochten de buitenplaats en een torentje bezoeken. S met sjaal over haar hoofd.

De kinderen kregen hier concurrentie van wat oudere mannen ‑ iedereen wilde wel onze gids zijn. Na de moskee nog een paar straatjes door het prachtige stadje. Er stond ook nog een half ingestort paleis van de koningin die Jibla tot hoofd­stad van Sana’a gemaakt had, en waar het zijn beroemde bouwwer­ken aan te danken had.

Taiz was zo'n 60 km verder naar het zuiden. Het was een grote stad op 1400 meter, onder een woeste 3000 meter hoge berg. We gingen op zoek naar de enige moskee van Jemen die je van binnen zou mogen bezoeken. Hij was net hele­maal opnieuw gewit. In een hoekje probeerden we gauw stiekem een slokje water te drinken, maar zelfs die kwart liter kregen we niet weg voor er alweer iemand aan­kwam.

Er kwam een man met een grote sleutel die ons graftom­bes van oude koningen liet zien. Allemaal een beetje vervallen maar de restanten van mooi houtsnijwerk en steenhouwerij waren nog goed zichtbaar. We mochten ook een kijkje nemen in de gebedsruimte, hoewel er mensen aan het bidden waren.

Daarna wandelden we terug naar beneden. We raakten steeds meer in de ban van de dorst. J bedacht dat we naar het duurste hotel van de stad konden gaan, waar je binnen waarschijnlijk wel wat mocht drinken. De wandeling ernaartoe, de andere heuvel op, was zwaar door hitte en dorst. Maar het plan slaagde. Behalve een liter eerder gekocht water ging er ook een flesje cola p.p. in. Daar knapte je weer helemaal van op.

Bij de taxistandplaats waren we dit keer zo slim om niet in de eerste de beste taxi te gaan zitten, maar in een die met ons vol was en dus meteen vertrok. Toen de zon ondergegaan was, een extra stop om snel te gaan eten en drin­ken.

Vreemd genoeg was de einddatum van de Ramadan niet van tevoren bekend. Zondagavond om twaalf uur zou bekend gemaakt worden, aan de hand van de maan, of het maandag afgelopen was. We meenden zondagavond ook al meer opgewonden/uitgelaten kinderen op straat te zien en er werden al wat rotjes afgestoken. Maar tevergeefs: maandag hoorde er dit keer ook nog bij.

Sinterklaas en Eid al Fitr

Maandagmiddag waren we terug in ons nu al vertrouwde hotel in Sana’a, waar men zei dat de bagage op het vliegveld was.

We charterden een taxi naar het vliegveld. In de openbare aankomst/vertrekhal waren de KLM en de Bagage Claim gesloten. J glipte langs de militairen tegen de stroom aankomende passagiers in, naar de hal met douane en bagagebanden. S probeerde de gang met kantoren in te komen en moest haar tas laten controleren. Dat kantoor leverde niets op en ook J was teruggestuurd naar het KLM-kantoor. Dat waar­schijnlijk woensdag pas weer open zou zijn als de volgende vlucht aankwam.

Nog maar eens terug die andere hal in ‑ J gebaarde tegen de militairen dat wij bij hem hoorden en dat het OK was. Er was een hokje met lost and found luggage, en daar zagen we S' tas liggen. Nu nog een ambtenaar vinden die hier bij hoorde. En daarna degene die de sleutel ervan had. Uiteindelijk kwam dat allemaal bij elkaar en konden we onze tassen uit de grote stapel zoeken. Hebbes.

Terug in het hotel was het een soort Sinterklaas. Het meest blij was ik met mijn slippers (op blote voeten in die gemeen­schappelijke badkamers was niet alles), scheermesjes (elektrisch scheerapparaat was nergens aansluitbaar; maar nu was er net geen water dus scheren moest uitgesteld worden) en zonnebrandcrème (hoewel de ergste schade al aangericht was).

Dinsdag, onze zesde dag in Jemen, was het dan de eerste feestdag! Eid al Fitr. Op straat was iedereen in zijn/haar netste/feestelijkste kledij, omdat de Ramadan voor­bij was. Vooral de kinderen zagen er speciaal uit in hun kleurige jurkjes en pakken met stropdasje. De mannen hadden een schoon lichtpaars gewaad aan, een colbertje en hun sjaal in driehoek over de rug hangend. Iedereen leek op weg, door de stad flanerend.

Meer

Geweren en Bedoeïenen, Jemen 1996 (2/2)

Meer midden-oosten blogs


woensdag 11 juli 2018

De wereldwijde vegetariër (4) Iran

Iran


Iran is kebab land, maar vergeleken met 20 jaar geleden, kun je er als vegetariër goed terecht. Lees hier wat je kunt eten en waar je dat kunt krijgen.

lunch

Snackbar in Shiraz
Er zijn veel snackbars, en vaak hebben die een broodje falafel, een broodje cutlet, of een samosa. Soms zelfs patat.

Brood ligt te ademen voor een bakkerij

Picknicken is erg populair in Iran, dus in een park in de schaduw van een boom je spulletjes opeten, is een goed alternatief. De platte broden koop je het liefst direct van de bakkerij als ze uit de oven komen. Fruit, komkommer en tomaat bij een groenteboertje. Yoghurt, kaas en jam bij een van de kleine winkeltjes die overal zijn.
Groenteboer

diner


's Avonds kun je de lunch-opties ook gebruiken. Of iets uitgebreider eten. Er is geen uit-eten-cultuur, dus er zijn niet heel veel gezellige restaurants. De restaurants met "traditional" in de naam zijn speciaal bedoeld voor toeristen. Overweeg desnoods een restaurant dat bij een hotel hoort. 
Vervolgens is het zaak te achterhalen wat voor vegetarische opties er op het menu staan. Meestal tenminste één aubergine schotel (bv kashk-e-bademjan). Soms meerdere, en ook wel eiergerechten (bv kookoo-o-sabzi). Standaard worden die met brood geserveerd, maar vaak is ook rijst te krijgen – zelfs als het niet op de kaart staat.

De drankjes, vooral de verse sappen, kunnen even duur zijn als de eenvoudigere gerechten. Als je wilt bezuinigen, is het acceptabel om geen drankje te bestellen. En het kraanwater kun je ook nog eens gewoon drinken.

koffie en ontbijt


Ontbijt is altijd inbegrepen bij je overnachting. Plat brood, zachte kaas, ei, jam, thee en nescafé vormen de basis. Soms aangevuld met yoghurt, dadels, watermeloen.
Wil je toch je eigen muesli maken, dan is yoghurt wel heel eenvoudig overal te krijgen, zowel in de supermarkt als in de kleine winkeltjes. Havervlokken zijn in sommige supermarkten te vinden.

Koffie in ‘n café is een relatief nieuw verschijnsel. In de stad zie je steeds meer gelegenheden, maar een goede koffie is relatief duur – denk Nederlandse prijzen. Op de meest toeristische plekken kan voor koffie of een sapje ineens een absurde prijs berekend worden. Vraag daarom altijd even vóór het bestellen hoe duur iets is. Jammer dat dit nodig is, want verreweg de meeste Iraniërs zijn eerlijk, gastvrij, vriendelijk en behulpzaam.
In de supermarkt kun je volop oploskoffie kopen.  Voor gemalen koffie probeer je een van die moderne koffiezaken – sommige verkopen pakken koffie.

meer

Meer afleveringen van de wereldwijde vegetariër. (India, Thailand, Spanje, Maleisie)

zaterdag 30 juni 2018

Iran Nieuwsbrief Zomer 2018 (4/4) ondergronds in Kashan, Iran


Onze vierde en laatste bestemming was Kashan, weer een relatief kleine woestijnstad. Dat betekende weer van die kronkelige steegjes tussen lemen muren, die al snel een doolhof werden. De laatste dagen van een ongekend mooie en fascinerende reis.

Kashan

Kashan historical house
Kashan is beroemd om zijn historical houses. Dat zijn 19de -eeuwse huizen van rijke handelaren. Zeg maar gerust stadspaleizen. Sommige zijn spookachtige ruines. De meesten zijn gerestaureerd en een bezienswaardigheid of hotel geworden. Twee bekeken we er uitvoerig. Rondom meerdere binnenplaatsen, over drie etages, waarvan een ondergronds, lagen talrijke verblijven. Een winterkelder die de zon opving, een zomerkelder die in de schaduw lag, keukens, waterverdeelkamers, ontvangstzalen, spiegelzaal, het hield niet op. Sommige ruimtes met glas-in-lood ramen, sommige met versieringen en beschilderingen, sommige met reliëfs.
Kashan badhuis
Dan was er het badhuis van de Sultan. Heel mooi gerestaureerd, met verschillende verblijven, gangetjes, koepels, schilderingen, tegeltjes. Het stookhok, de warmwater­voorraad, de omkleedruimte, de scheerruimte en de bloedaflaatruimte... Het was een sprookjesachtig geheel. En helemaal toen we het dak opklommen. Daar was het een golvend geheel met de opstaande koepeltjes, daarbovenop kleine extra koepeltjes met kleine ronde raampjes, de leemkleurige stad om ons heen. Omdat niets recht was, leek het een kruising tussen een skateboard-baan en een verzameling marsmannetjes.

Op de kaart had ik een vreemd stuk stad gezien zónder steegjes. Op de satellietfoto leek het een cirkelvormige muur met daarin groen. Het was even zoeken, want er leek geen enkele weg naar toe te lopen. Maar via een mausoleum en een overdekt steegje en een parkeerterrein kwamen we bij een parkje dat tegen een hoge lemen muur/wal aanlag. Daar kon je makkelijk omhoog klimmen. En inderdaad, je keek in een cirkel van zo'n 500 meter doorsnede, het leek wel een kraterwand. En allemaal groentetuinen, de een net omgeploegd, de ander groen. Verbijsterend. 

Met enige moeite klauterden we aan de binnenkant naar beneden. Over een smal voetpad langs een klein irrigatiekanaal liepen we naar de overkant, waar een puntkoepel was die we intussen kenden van cisternen en ijshuizen. Ongetwijfeld had het te maken met de vroegere watervoorziening. Nu leek het weliswaar aan de buitenkant gerestaureerd, maar buiten gebruik. Later lazen we dat de lemen wal de restanten zijn van een 1000 jaar oude stadsmuur. Deze verborgen schat ontdekken was zo'n extraatje dat je speciale voldoening geeft bij een stadswandeling.

Iran - toen, nu en straks

Bijna 40 jaar geleden begon de opstand tegen de Sjah die leidde tot de revolutie die het huidige Iran heeft vormgegeven. De geestelijken aan de macht, in een complex samenspel van invloeden - de president, het parlement, de geestelijk leider, de revolutionaire garde.

20 Jaar geleden was ik in Iran, halverwege de huidige leeftijd van de Islamitische Republiek. Is er in die tijd veel of juist weinig veranderd? Voor allebei valt wat te zeggen.

Nog steeds geven de westerse media een totaal vertekend beeld van Iran. We denken aan een primitief land vol terroristen en extreme ayatollahs - terwijl deze eeuw de westerse bondgenoot Saoedi Arabië onmiskenbaar meer steun heeft gegeven aan terrorisme.

Nog steeds is het misschien wel het vriendelijkste, aardigste en rustigste volk dat ik ken. De mensen maakten graag een praatje met ons, waren belangstellend zonder opdringerig te worden. De openbare ruimte is schoon en voelt rustig en veilig. In aanmerking genoemen dat het een streng-Islamitisch land is, zijn mokeeen niet prominent aanwezig en er is ook niet vijf keer per dag een luide oproep tot het gebed. Het straatbeeld is vooral gezellig, gemengd, jong en oud, modern en traditioneel. Er zijn veel kleine winkeltjes die open zijn naar de straat toe, drukke oude bazaars, en ook grote moderne shopping malls.

Door de boycot én door verkeerde beslissingen is het land in een permanente economische crisis beland. Daardoor heeft het zich minder ontwikkeld dan potentieel mogelijk was, maar nog steeds zou je het eerder met Zuid-Europa vergelijken dan met een Aziatisch land.

Hoewel veel apparatuur verouderd is, is er een redelijk werkende infrastructuur; de stroom valt niet uit; het opleidingsniveau is hoog; telefoon en internet worden volop gebruikt. Daardoor heeft de gemiddelde Iraniërs een betere blik op de buitenwereld; op Instagram is de facto vrijheid van meningsuiting; toerisme is toegenomen.

De toekomst van Iran hangt zowel af van de wereldpolitiek als van de binnenlandse politiek. De economische uitzichtloosheid zou nog wel eens de grootste destabiliserende factor kunnen zijn. Blijft het land geïsoleerd of vindt het aansluiting?

Einde/Meer

Wil je verder lezen over onze eetgewoontes in Iran? Kijk dan op de-wereldwijde-vegetarier-(4)-Iran








dinsdag 26 juni 2018

Iran Nieuwsbrief Zomer 2018 (3/4) de sprookjes van Isfahan, Iran


Met een comfortabele VIP-bus reden we naar Isfahan. Een taxi naar het hotel. Een vrolijke jonge meid zonder hoofddoekje (tot ze later de straat op ging) heette ons welkom. Het was een soort hostel rondom een mooie binnenplaats. En voor ons de uitvalsbasis om een van de mooiste steden ter wereld te bekijken.

Isfahan

Isfahan Nagh-e-Jahan plein
Het Nagh-e-Jahan plein is immens groot. Met 150x500m het op een na grootste ter wereld. Omringd door dubbele arcades, twee fabelachtige moskeeën en een paleis. Met wandelpaden en grasperken. En 's avonds vele honderden, duizenden mensen. De stenen bankjes en de grasvelden zaten bijna helemaal vol. Met het donker worden in de zwoele avond, was het een heerlijk ontspannen geheel. Groepjes vrouwen en kinderen vormden de meerderheid. Ze hadden kleedjes uitgespreid, thermoskannen en campingbranders bij zich - picknicken was hier tot hogere kunst verheven. Onder de volle maan, omringd door de façades waar iedere boog verlicht was, was het 1001 nachten live. En de weekend-stemming deed zo mogelijk nóg meer mensen naar ons groeten, zwaaien, lachen, verwelkomen.
Isfahan Grote Abbassi Moskee
De Grote Abbassi Moskee, de grootste van de twee aan het plein, viel op door de overweldigende hoeveelheid blauwe tegeltjes en blauw mozaïek. Halverwege de bouw waren ze overgestapt van mozaïek op beschilderde tegeltjes,  omdat dat sneller ging. Niet alleen de grote nissen zijn blauw, maar ook de hele omspanning van het binnenplein en een aantal gewelven. Abstracte, geometrische en fantasiefiguren afgewisseld met Koranteksten en een enkel tafereeltjes met dieren. Er is ook veel marmer gebruikt. Flinke stukken van de moskee werden gerenoveerd, o.a. de grootste nis en de koepel stonden in de steigers. In een werkplaats konden we zien hoe met een mal op ware grootte, van 1/16de "partje" van de koepel, de tegels werden nagetekend en nagemaakt voor ze er weer op geplaatst werden.
Isfahan Khajou brug
De Khajou brug was ook weer verschrikkelijk mooi. 350 jaar oud. De onderste basis was een lage dam, dan granieten voeten en waterdoorlaten met trappen, dan bakstenen pilaren waaronder mensen in de schaduw zaten. Een man stond te zingen. Het bovenste deel van de brug had verhoogde zijkanten die ook weer poortjes vormden waar mensen in de schaduw zaten. Iedereen was weer vrolijk en vriendelijk. De enige dissonant was dat de rivier droog stond, wat de laatste jaren bijna altijd het geval is. Het water wordt weggeleid naar elders.

Patronen en dimensies

De moskeeën waren soms overweldigend groot, maar nooit pompeus. Door de perfecte verhoudingen in de dimensies leken ze altijd sereen en rustgevend. De vlakvullingen bestonden uit abstracte patronen, die in elkaar overliepen, zichzelf herhaalden, variëerden, meevormden met de bogen en koepels, uitdijend of inkrimpend waar nodig. Adembenemend mozaïek waar je eindeloos naar kon kijken. 

Als Escher of Gaudí dit gezien hadden… Sterker nog: Escher hééft dit gezien in Andalucië, en is daarna de tekenaar geworden die wij kennen. Gaudí bestudeerde de Perzische archtectuur en Islamitische kunst vooral uit boeken, tijdens zijn opleiding.

Dames en kleding

De laatste paar jaar is er een golf van minder streng toezicht op de kledingvoorschriften. Zeker in het mondaine Isfahan zag je dat terug. De lange overjas was lang niet altijd meer tot over de knie, was lang niet altijd meer zwart, hing soms open of was getailleerd, en soms zelfs van bijna-doorzichtige stof. Ook de bloesjes waren soms getailleerd, fleurig en speels. De hoofddoekjes zaten vaak ver naar achter en er stak heel wat haar onderuit. Meestal steil zwart, maar ook wel geblondeerd en golvend. Een enkele keer hing het los onder de hoofddoek uit. Spijkerbroeken waren soms behoorlijk strak, maar wel altijd tot op de enkel. Sommige vrouwen waren uitbundig opgemaakt met het hele gezicht onder de rouge, felrode lippenstift, en vooral de ogen, wimpers en gitzwarte wenkbrauwen kregen veel aandacht.

Niet alleen de wat vlotter geklede dames mochten graag een beetje flirten. Mijn blauwe ogen, lange haren en stralende glimlach :) trokken de nodige belangstelling van de dames, en dat lieten ze openlijk blijken.

Als je niet zou weten dat vrouwen in Iran wettelijk worden achtergesteld, kun je zomaar denken dat ze gelijkwaardig zijn. Ze zijn volop aanwezig in het straatbeeld en gedragen zich daar zelfbewust en zelfverzekerd.  Ze zijn gemiddeld hoger opgeleid dan mannen en soms zijn ze belangrijkste kostwinner in een familie. Hun positie is in ieder geval beter dan in enig van de omringende landen.

vrijdag 22 juni 2018

Iran Nieuwsbrief Zomer 2018 (2/4) Vuur, water, lucht en leem in Yazd, Iran


We huurden een taxi voor een dag om ons de 430km van Shiraz naar Yazd te laten brengen. Zo konden we onderweg stoppen in Persepolis, 2500 jaar geleden een belangrijke hoofdstad, waar nog fraaie resten van te zien waren.

In Yazd vonden we een heerlijk hostel met prettige kamers aan een dakterras. Daar konden we zitten, eten, thee drinken, met uitzicht over de stad. Yazd is kleiner en heeft een meer provinciale sfeer.

Yazd

We wilden door de lemen steegjes naar de Vrijdagmoskee lopen. Hemelsbreed ruim 500 meter. De huizen zijn nogal naar binnen gekeerd, dus naar de straatkant toe veel muren met wat kleine raampjes en deurtjes. Omdat alles leemkleurig was, straalde het een grote eenheid uit. Sommige steegjes waren overdekt, dan waren er weer bochten en pleintjes, koepeltjes en boogjes. Het was erg stil, zo nu en dan schuifelde een mevrouw in het zwart of een oud mannetje voorbij. Vrijdagochtend is hier tenslotte een soort zondagochtend.
Yazd lemen gebouwen

Door het gedraai van de steegjes raakten we de richting helemaal kwijt, en de kaarten van de reisgids en zelfs van google maps gaven veel steegjes niet aan, dus we wisten niet welke kant op te gaan. We vroegen een paar mannen de weg naar de Vrijdagmoskee, en ook zij wezen alle kanten op. Uiteindelijk kregen we 'm weer in het vizier en lukte het koers te houden. In de bazaar en in het straatje er naar toe, waar het gisteravond nog een hele drukte was, was het nu ook erg stil. Een paar binnenlandse toeristen wilden wel met ons op de foto, met de indrukwekkende entrée op de achtergrond.

Yazd watervoorziening
De  vrijdagmoskee is versierd met een bijzonder mooi mozaïek van tegeltjes, veel abstracte lijnen, veel blauw. Er hingen wat mensen rond die zaten te bellen of te slapen, verder was het rustig. Een man vertelde over de qanats, ondergrondse kanalen die vroeger water uit de bergen aanvoerden. Nu is het systeem vervuild en gesloten, en komt het water uit Isfahan.

We bezochten het water museum. Eigenlijk een oud herenhuis, maar geschikt als watermuseum omdat er maar liefst twee oude qanats onderdoor lopen, waaruit getapt kon worden. Door smalle tunneltjes die onder de grond waren uitgegraven, liep het water uit de bergen onder de stad door. Rijke families konden de kelder in en water aftappen. Het onderste kanaal ligt zo diep dat er een koele ruimte is waar je voedsel kon opslaan en de familie zelf ook koel zat. Dat was geen overbodige luxe in de snikhete middagen.

We namen een taxi naar de Zoroastrische vuurtempel net buiten het centrum. Zoroastrianisme heeft zijn oorsprong in deze regio en is een van de oudste nog bestaande godsdienten ter wereld. In een tuin lagen een paar gebouwen, boven de deur het symbool met twee lange vleugels en allerlei details die allemaal een betekenis hadden. Met thema’s als “goed denken, goed doen” en “karma” zaten er veel herkenbare thema's uit het Boeddhisme in. Achter glas brandde de “eeuwige vlam”. Dit specifieke exemplaar zou al 1500 jaar branden, een andere verder buiten de stad al 6000 jaar. In een ander gebouw was een grote fototentoonstelling met beelden uit het dagelijks leven van Zoroastriërs uit de omgeving van Yazd.
Yazd vuurtempel

Air Coolers en windtorens

In Rajastan had ik er voor het eerst een gezien. Op mijn hotelkamer stond voor een raam een dik pak stro met een ventilator er achter. Als je het stro nat maakte en de lucht erdoorheen stroomde (wind of fan) kreeg je een koele luchtstroom. Intussen zijn er modernere versies met een rooster i.p.v. stro.

In Iran zagen we volop air coolers. Ideaal omdat ze, anders dan een airconditioner, in een open ruimte werken, dus je kunt je winkeldeur open laten staan. En ze gebruiken veel minder stroom, al lijkt men daar in Iran niet veel om te geven. We zagen ze in winkels, in werkplaatsen, in restaurants en zelfs boven op een stadsbus!
Yazd windtorens

Verder heb je in de woestijnsteden Yazd en Kashan de eeuwenoude windtorens. Hoge torens die boven de bebouwing uitsteken, en het geringste vleugje wind in de lucht opvangen in een soort galmgaten. Die lucht wordt dan door de holle toren naar beneden geleid, waar het als een koele bries door de woonruimte stroomt.

We wisten dat het warm zou zijn, in juni, in centraal Iran. Maar het was er "warm voor de tijd van het jaar" en de middagtemperaturen varieerden van 37 tot 42 graden. "Tegen de veertig" is echt nog een totaal andere temperatuurzone dan begin dertig, wat we in Nederland een paar dagen per jaar hebben. Alle objecten zijn warmer dan je zelf bent, alles straalt warmte uit en voelt warmer aan dan je huid wanneer je het aanraakt. Je droogt uit waar je bij staat. 's Middags staat de zon nagenoeg loodrecht boven je en brandt onbarmhartig.

In ieder geval was het droge lucht, zodat je niet geplet werd door een drukkende zweterige massa. 's Middags een aantal uren op de koele hotelkamer schuilen was genoeg om het allemaal goed uit te houden. Als je uit je A/C kamer kwam, was het best vijf minuten te doen in de zon.