Posts tonen met het label jungle. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jungle. Alle posts tonen

donderdag 25 januari 2018

Indonesie Reisverslag 2018/2 Rondje Noord Sumatra

We reisden van Doha via Kuala Lumpur naar Medan. Een achtbaan van culturen, ontwikkelingsniveaus, klimaten, tijdzones en dag-en-nacht-ritmes.
Sumatra is ongeveer even groot als Spanje, en heeft ongeveer evenveel inwoners, maar een infrastructuur die vele malen slechter is. De kunst zit in de beperking: we hebben een niet-ambitieus rondje door de provincie Noord Sumatra uitgetekend.

Medan stad


De eerste indruk van Medan is groot, druk, vervuild en lawaaierig. Bij nadere kennismaking blijft dat allemaal staan, maar zie je ook de ontspannen en vrolijke mensen die je altijd stralend toelachen of een praatje maken. Niemand maakt zich kwaad in het verkeer, iedereen is behulpzaam. Er zijn leuke vegan eethuisjes en hippe/moderne coffeeshops. De sfeer is heel prettig en als het lawaai en de vuile lucht je niet zouden verjagen, zou je er zo een tijd willen blijven.


Je zou de ontwikkeling van een land kunnen afmeten van het aantal meters dat je over een trottoir kunt lopen. In Medan zijn de trottoirs meestal versperd door uitbouwen van winkels, geparkeerde auto’s, motoren of becaks. Of bergen bouwmateriaal, modder of rioolslib. Anders zitten er wel gaten in waardoor je in het riool kunt vallen, zijn er onverwachte op- en afstapjes, liggen er tegels los of steken er stukken betonijzer uit. En je moet oppassen voor overhangende luifels en borden waar je je hoofd tegen kunt stoten.
Meestal loop je dus maar op de rijbaan, tussen de geparkeerde auto’s en het verkeer in, hopend dat ze je zien. Verkeer bestaat vooral uit (relatief nieuwe) auto’s, motoren en becaks – motoren met een karretje ernaast die je huurt voor een ritje.

Na een ochtend sightseeing (koloniale gebouwen en Little India) namen we een becak terug naar huis. Het was de oudste en gammelste van Medan. De motor sloeg geregeld af, het voorwiel spoorde niet, de benzine kwam via een slangetje uit een jerrycan die aan de voorkant hing. De sigaret die de chauffeur nonchalant tussen z’n vingers had, hing er bijna tegenaan. We reden langzamer dan de verkeersstroom waardoor invoegen, weven en ritsen niet lukte – cruciaal in het verkeer hier. Bovendien moesten we vanwege de eenrichtingswegen omrijden, en dat deed onze chauffeur op een gigantische manier. Zodoende zaten we minstens een half uur in het drukke verkeer en de uitlaatgassen voor hemelsbreed 2½km. Maar we stonden géén doodsangsten uit en de lucht sloeg niet op je ogen en keel. En de mensen leken zich niet druk te maken, gaven elkaar de ruimte, toeterden niet te veel, en forceerden zich niet in ieder gaatje.

Bukit Lawang jungle



In het algemeen voel ik me niet zo thuis in plaatsen die enkel en alleen bestaan uit toerisme. Bukit Lawang is zo’n plaats. Een dorpje aan de rand van een groot Nationaal Park, waar ooit een orang oetan rehabilitatie centrum was. Bij het voederen kon je de dieren gemakkelijk zien en dat trok veel bezoekers. Het voederplatform is sinds een paar jaar gesloten, de half-wilde orang oetans die nog in de buurt zijn, kun je alleen zien op lange, dure jungle trekkings – en dat is wat iedereen hier “doet”.

            (Zie hier het verhaal van mijn jungle trek in 2000) 

Bukit Lawang heeft stand gehouden dankzij de rivier, de frisse lucht, en als backpacker ontmoetingsplek. Wij verbleven een paar dagen aan de strip langs de rivier – in het enige guesthouse/restaurant dat goed bezet was, waar het gezellig was en waar het eten goed was.

Daarna verhuisden we voor twee dagen naar een verder stroomopwaarts gelegen guesthouse, 1km over een smal voetpad voorbij de laatste voorzieningen. Daar had je een beetje het gevoel in de jungle te zitten, maar dan wel van bijna alle gemakken voorzien. Het guesthouse was smaakvol gebouwd met veel hout en bamboe, en het Indonesisch-Australische stel dat het runde, zorgde voor een rustige, ontspannen sfeer. 



De altijd razende rivier, de groene wand van de jungle aan de overkant, een kopje koffie op de brede veranda – hier zouden we wel aan kunnen wennen. 's Avonds een gezamenlijke maaltijd, 's nachts aardedonker, 's ochtends het geluid van aapjes en insecten. Na een regenbui stegen uit het oerwoud langzaam flarden damp op, die samensmolten tot wolken in wording.

Berastagi vulkanen


Berastagi is een voormalig Nederlands hill station op 1400m hoogte, nu een uitgestrekt plattelandsstadje dat leeft van de verbouw van groente en van Medanners die er een frisse neus halen op zondag. Het handje westerse toeristen valt er niet op. Je hebt uitzicht op twee vulkanen waarvan er één erg actief is. Het beklimmen van de andere is wat iedereen hier “doet”. 
Wij gingen rechtstreeks naar de warme bronnen aan de voet ervan, om lekker te badderen.

De groothandelsmarkt waar de verse producten van het land werden verhandeld, was een fascinerende chaos waar enorme hoeveelheden wortels, kool en aardappelen verhandeld werden en vervoerd op krakkemikkige vrachtautootjes die steeds vastzaten in de modder.

Een excursie naar de voet van de actieve vulkaan kon vanwege het weer niet doorgaan. Er waren dagelijks erupties, maar omdat die maar 5 minuten duurden moest je geluk hebben die te zien. Op een gegeven moment had de berg zich verhuld in zijn eigen aswolk. Toen het later ging regenen, sloeg een dunne laag as neer op het dakterras van ons guesthouse.

Net als het regenwoud maken de vulkanen hun eigen wolken. Stoom die ontsnapt stijgt op en vormt een wolk, die om de top blijft hangen.

Weerbericht: het was koeler dan gewoonlijk (“slechts” 23-26 graden) en meestal bewolkt. Er brak zo nu en dan een mager zonnetje door, en de meeste buien vielen ’s nachts.

Lake Toba meer



Het reizen op Sumatra gaat niet moeizamer dan in India, maar daar weet ik toch beter hoe de dingen werken en hoe je er mee om moet gaan. Een nacht in een hotel dat niet bevalt, een dag ziek, een busstation waar je serieus lastiggevallen wordt, een maaltijd die verkeerd valt, een creditcard die geweigerd wordt - het was in het begin wel pittig en bij tijd en wijle vermoeiend.

Des te prettiger dat we volkomen konden ontspannen aan de oevers van Lake Toba. Dat is wat iedereen hier “doet”. 
We bleven een kleine week, en het was de eerste plek op Sumatra waar we ons helemaal thuis voelden. De sfeer was er ontspannen, de natuur schitterend. Ook al was het er toeristisch, er was genoeg couleure locale met de kleine winkeltjes en cafeetjes, en zo gauw je van de hoofdweg afging, stond je tussen de waterbuffels en de rijstvelden.

zaterdag 23 april 2016

Verdwaald in de jungle van Sumatra


Er is een hoos aan televisie programma's over mensen die verdwalen in de jungle, overlijden op wereldreis, of het juist ternauwernood overleven. Dat deed me terugdenken aan een van de hachelijke ervaringen die ik zelf gehad heb. Ik ben gezegend met een behoorlijk gevoel voor richting, maar verdwalen in de jungle kan je wel heel gemakkelijk overkomen.



November 2000. We hadden het plan opgevat om in een maand tijd Sumatra van zuid naar noord door te trekken. Ik had al heel wat gereisd in Azie, maar ik was nog nooit in zo'n uitgestrekt en dunbevolkt gebied geweest. Behalve lange-afstands-nachtbussen (die ik vermeed) was er nauwelijks openbaar vervoer. En als het er al was, was het langzaam en onbetrouwbaar. Zo hebben we in een plaatsje drie ochtenden op de aangewezen plek gestaan voor er een busje ook daadwerkelijk vertrok. En zijn we drie keer tegen het vallen van de avond uit een bus gestapt die bij lange na nog niet op z'n eindbestemming was, om bij daglicht een onderkomen te kunnen zoeken.
Dunbevolkt dus.

Zodoende vorderden we moeizaam en langzamer dan gepland en waren meer tijd kwijt met onderweg zijn, dan met genieten van de mooie plekjes. Maar in het stadje Sungai Panui (Sungai Penuh) in de Kerinci vallei gunden we onszelf een paar dagen pauze. We bezochten er een aangename hot spring..
Zicht vanuit de vallei op de uitlopers van de bergen
Rondom de Kerinci vallei lag het Kerinci National Park, een gebied van honderden kilometers. Een wandeling door de jungle zou geweldig zijn, maar we deden geen onverantwoorde dingen, dus we gingen eerst informeren bij het NP-hoofdkwartier. Waar kon je een mooie wandeling maken, en hoe pakte je dat aan met vervoer naar het beginpunt en een gids? Een groepje rangers legde ons de verschillende mogelijkheden uit. Het gebied waar we eergister met de bus vanaf Tapan doorgereden waren, leek ons wel wat. Een van de rangers zei dat hij een autootje had om er naar toe te rijden en wel wilde gidsen. Voor hem waarschijnlijk een schnabbel erbij.
Hij ging thuis zijn auto halen, een blauw mini-pickup-truckje van zijn broer, dat bijna niet in zijn één te schakelen was en nauwelijks remmen had.

We parkeerden 15 km verderop, bij een klein eethuisje langs de weg. Om 10u gingen we op pad, eerst tien minuten over de weg, en toen een pad in. Het pad werd snel slechter, en het bos dichter. Er groeiden zoveel takken, varens en doornige struiken over het pad, dat ik bijna steeds gebukt moest lopen, soms was het bijna kruipen. Het leek een soort tunnel tussen/onder dichte varenstruiken door. Als langste van de drie had ik daar het meeste last van, en ik was zo daar mee bezig dat plezier in de wandeling en de omgeving er bij inschoot.

Na een uurtje hadden we overleg: omkeren of betere paden opzoeken? Ik wilde geen spelbreker zijn en zo snel stoppen, dus probeerden we onze gids duidelijk te maken dat hij betere paden moest opzoeken; hij leek het te begrijpen.
Maar na nog een half uurtje, leek hij steeds minder zeker van zijn zaak, keerde geregeld op zijn schreden terug. We maakten duidelijk dat we nu echt naar de doorgaande weg terug wilden. Ja, ja, volg me maar, deze kant op, gebaarde hij dan. Toen hij, na een expliciete vraag of hij wist waar de weg was, zei: we moeten vertrouwen op Allah, nam mijn vertrouwen in hém behoorlijk af. Intussen kon je het al geen pad meer noemen wat we liepen: voortdurend moesten we ons een weg banen door de slingerplanten, doornstruiken en kreupelhout. Toen ik op m'n kompas zag dat we voortdurend van richting veranderden, en eigenlijk maar wat liepen te dolen, begon ik me zorgen te maken. Ik wist dat hij het niet wist, maar had zelf in het begin ook niet opgelet hoe we liepen. Normaal zou ik altijd exact dezelfde weg terug hebben kunnen vinden, maar nu dus niet. We hadden immers een officiële ranger van de parkbeheerorganisatie bij ons. Kun je het beter doen?

Bij gebrek aan beter volgden we nog een keer de gids: hij wees naar een heuveltop, en zei dat hij vandaar zeker de weg zou weten/zien. Intussen was er van een pad absoluut geen sprake meer; het werd een gevecht door de begroeiing, waarbij we intussen al de nodige bloedende schrammen en scheuren in onze kleren hadden opgelopen. Het werd echt eng toen we als het ware over een dak van varens op het kreupelhout verzeilden, meters boven de grond. Zo nu en dan brak een tak of verstapte je je, en viel je een meter naar beneden. Het idee hier wat te breken of zelfs maar je enkel te verstuiken, was angstaanjagend.
De gids gaf toe dat hij wel bekend was in een ander deel van het bos, maar aan deze kant eigenlijk nooit geweest was. Als we dat eerder geweten hadden! Hij had het intussen al over in het bos slapen, en hopen dat ze ons morgen zouden komen zoeken. Wie zou ons eigenlijk missen en wie wist in welk gebied we waren gaan wandelen? En hoe grootschalig zou een eventuele zoektocht zijn? Ik maakte me nu echt ernstig zorgen hoe dit af zou lopen.

Na een zware tocht van zo'n drie kwartier over 100 meter, waren we bij de heuveltop waar de gids zijn hoop op gevestigd had. Tevergeefs. We zagen de regenbui al over de eerstvolgende bergrug aankomen.

Kerinci National Park

Nu het duidelijk was, dat onze gids geen enkel goed idee meer had, werd het tijd om de leiding in handen te nemen. En daar ging onze gids dankbaar in mee. In het zand tekenden we hoe de berghelling ten westen van de vallei lag. Als we naar het oosten zouden lopen, moesten we ergens uitkomen. Zwak punt in dit plan was, dat het wel 10 of 20 km kon zijn, en we misschien maar 250m per uur aflegden, dwars door de bush. Dat kon dus 4 à 8 dagen duren. Vier dagen zouden we dit toch vol moeten kunnen houden, zonder eten? Ik koos voor zuidoost als richting, omdat ik meende dat de weg ten zuiden van ons moest zijn. In ieder geval leek een rechte lijn ons beter dan cirkeltjes draaien. Hoe moeilijk het intussen ook was, we konden elkaar om de beurt een beetje opbeuren.

Na een tijdje stonden we weer voor zo'n stuk varenbos waar we hoog over het kreupelhout zouden moeten, ook een schrikbeeld. We hoorden een riviertje en overwogen dat stroomafwaarts te volgen - dan moest je toch ook altijd ergens uitkomen. De afdaling ernaartoe was ook weer erg gevaarlijk: hoe lager we kwamen, hoe zompiger en gladder het werd. Dus of je gleed naar beneden of je zat vastgezogen in de modder. Na zo'n 20 minuten kwamen we bij het riviertje, een smal snelstromend beekje, en kon ik het bloed van mijn gezicht wassen. Maar de begroeiing bleek zo dicht, dat het onmogelijk zou zijn het te volgen. Bovendien liep het naar het noorden, intuïtief de verkeerde richting.

Er zat niets anders op dan de helling weer omhoog te klauteren, ons van de ene naar de andere boomstam vastklampend. Na pakweg een uur waren we terug op de plaats waar we het rivier-plannetje opgevat hadden. Dus toch maar weer teruggeschakeld naar het oorspronkelijke plan: een zo recht mogelijke lijn naar het zuidoosten. Onze gids was al lang overgeschakeld op "volgen", hooguit vragen of we zo goed gingen. Zelf voelde ik me er al beter bij tenminste een plan te hebben, en niet meer doelloos achter hem aan te zwalken. Als je op een zacht pak varenbladeren uitrustte, en vergat dat het straks zou gaan regenen, dacht je het zelfs nog een tijd vol te kunnen houden.

Maar intussen was ik ook behoorlijk uitgeput. We liepen immers niet, maar vochten ons door struikgewas en steile hellingen op of af. Lianen grepen je geregeld vast: soms om je voeten zodat je struikelde, soms om je lichaam zodat je ze stuk moest trekken of jezelf los moest maken.

De gids speurde naar afgebroken takjes, zodat we soms en stukje over een relatief begaanbaar oud dieren-spoor liepen (maar ook steeds weer kwijtraakten) terwijl ik in de gaten hield dat de overwegende richting zuidoost bleef, voor zover het terrein dat toeliet. Eigenlijk was zo een goede taakverdeling gegroeid.
Boom met stekels

Op een gegeven moment zag ik een mooie paddestoel in het gras, waarvan ik zeker meende die eerder gezien te hebben. Als het klopte zou er zo meteen aan de rechterkant een doornige stam komen, en wel op een punt waar ik me herinnerde dat we nog op een soort van pad liepen, vele uren geleden. Inderdaad, de doornige stam kwam, en hoewel de gids er alweer voorbijgesneld was, riep ik 'm terug en stond erop hier naar links, naar het zuiden te gaan. Ineens zag het er naar uit dat we vandaag nog thuis zouden komen! Wat een opluchting! Bijna meteen barstte de langverwachte stortbui los. Als die gekomen was voordat ik dacht dat we er uit zouden komen, denk ik niet dat ik de moed er nog in had weten te houden.
Al snel herkenden we dit inderdaad als het pad dat ik zo ongemakkelijk vond, maar waar we nog niet verdwaald waren. We vonden zelfs mijn zonnebrandcrème terug, die ik 's ochtends kwijt geraakt was toen mijn rugzak in de takken was blijven hangen en opengeritst. Doorweekt, en soms half kruipend en steeds wegglijdend over natte takken en bladeren, werd zelfs onze gids vrolijk. Hij kuste het asfalt toen we uiteindelijk terug waren bij de weg.

Terug naar het eethuisje, waar ik alles uitrok en uitwrong en mijn t-shirt te drogen hing bij het houtvuur, terwijl we een kopje hete koffie dronken.

Onze gids bracht ons terug naar de stad. We wilden mee naar zijn, inmiddels nagenoeg verlaten, kantoor. Hoewel we beseften hier geen westerse kwaliteitsnormen te kunnen verwachten, waren we toch zo verontwaardigd over de onverantwoorde en levensgevaarlijke situatie waar deze gids ons in gebracht had, dat we op het NP-kantoor wilden klagen. Al was het maar om herhaling te voorkomen. In hoeverre we daar in slaagden, was twijfelachtig, maar de boodschap dat we erg ontevreden waren, kwam toch wel over.
Als landlopers liepen we door het stadje terug naar het hotel. Vies, nat, gewond en met gescheurde kleren. In het hotel kwamen ze spontaan met thermosflessen heet water naar onze kamer rennen! De schrammen op gezicht, armen en vooral benen bleven nog dagenlang pijnlijk.

Echt, je hoeft niet hele rare of hele domme dingen te doen om in de jungle te verdwalen. De grootsheid en de woestheid ervan is wel heel gemakkelijk te onderschatten.

*November 2000 - Augustus 2001 - April 2016*

dinsdag 14 juli 2015

De Rohingya: Een verborgen volk in de jungle

Bezoek aan de Thais-Maleisische grens

Dit was echte jungle met veel bomen die tientallen meters kaarsrecht omhoog sproten om een beetje licht op te vangen waar hun kroon zich uitbreidde. Dikke lianen en parasitaire planten groeiden er omheen. Dorre bladeren van een halve meter groot vermengd met fel rode bladeren bedekten de bodem. 
Het pad werd door de hoge oppervlakkige wortels op z'n plaats gehouden, op een stuk na waar het naar beneden gestort was en er geklauterd moest worden. 
Daar kwamen die lianen en wortels weer van pas. Sporen van wilde zwijnen, stekelige rotan, grote vlinders, harde hoge tsjierppartijen van de insekten - het bos was er vol mee.

We wandelden over een pad door het Thale Ban National Park, in de uiterste zuidwest-hoek van Thailand. Volgens het bord was dit evermoist forest, nog net niet zo ondoordringbaar als het tropical rain forest dat we zuidelijker in Maleisië gezien hadden.  Dat dit een onherbergzaam gebied was, met moerassen, bergen en jungle, was de reden dat we hier de grens overgestoken waren door mee te liften met een vrachtbootje over de Andaman Zee.
Maar nu waren we toch vlak bij de enige landgrens in de regio: aan een kleine weg met nauwelijks verkeer en al helemaal geen openbaar vervoer. De laatste 20 kilometer waren we meegelift met de grote pick-up truck van Hassan, een politieman of grensbewaker in uniform, op weg naar zijn werk. Het National Park lag twee kilometer voor de grens. Met niets dan jungle er tussen.
Het was onthutsend, maar niet onvoorstelbaar, een paar maanden later in de krant te lezen dat precies hier geheime vluchtelingenkampen waren waar Rohingya uit Myanmar werden vastgehouden, afgeperst door mensensmokkelaars, en vermoord achtergelaten.

Bootvluchtelingen

Thailand en Myanmar hebben een lange gemeenschappelijke grens, en zo'n 150.000 Karen uit oostelijk Myanmar zitten al 30 jaar vast in vluchtelingenkampen van de Thaise overheid net over de grens, 1500 kilometer noordelijker. Ze zijn intussen een bekende bestemming voor culturele bezoeken en vrijwilligerswerk door westerse toeristen. Nauwelijks bekend zijn de Rohingya uit westelijk Myanmar. Ze worden niet geaccepteerd omdat hun godsdienst afwijkt van de meerderheid, de boeddhisten. Ze vluchten niet door de jungle de grens met Thailand over, maar moeten met bootjes over de Andaman Zee. Hun doel is Maleisië, waar moslims de meerderheid vormen. Maar vaak landen hun bootjes in zuid Thailand, waar ze op weg naar Maleisië in handen vallen van de smokkelaars.
Op zee werden de bootjes verjaagd of teruggesleept door de Thaise, Maleisische en Indonesische kustwacht, tot de zaak in mei 2015 zoveel internationale aandacht kreeg , dat Maleisië besloot ze tijdelijk op te vangen.

Bezoek aan deelstaat Rakhine

De zaak raakt ons nog meer, omdat we 7 jaar geleden in Rakhine waren, de regio van Myanmar waar de Rohingya vandaan komen. Korte tijd was de streek toegankelijk, toen Myanmar net begon zich meer open te stellen en toenadering zocht met oppositie en buitenland. Maar al snel werd een nieuw binnenlands conflict gezocht en gevonden bij deze minderheid. Hoewel ze al vele generaties of vele eeuwen in Rakhine wonen, deels afstammelingen van Perzische en Arabische handelaren, deels migranten binnen wat in de 19de eeuw één Britse kolonie was, worden ze nu gezien als illegale immigranten uit Bangladesh.
Nu terugkijkend, is het verbazingwekkend dat we de streek indertijd niet als islamitisch herkend hebben. Blijkbaar moesten ze toen al een low profile houden. Het straatbeeld van Sittwe werd overheerst door monniken, nonnen en tempels. De schaarse toerist bracht geen welvaart naar Mrauk U, die uithoek van het land was duidelijk straatarm. Mobiele telefoons waren er in Sittwe al niet meer, en in Mrauk U was zelfs geen vaste telefoonverbinding met de rest van de wereld.

Mrauk U was een oude hoofdstad uit de 16de eeuw, van een rijk dat zich uitstrekte over delen van het huidige Bangladesh (waarvan de nabijheid b.v. geïllustreerd werd door de importkoekjes in de winkel) en de huidige Rakhine State. Er waren een heleboel tempels en pagodes uit die tijd overgebleven, half tussen het dorp en de akkers gelegen, soms wat vervallen en overgroeid. Steeds zag je weer een andere tempel op een heuvel of een pad naar iets moois. De setting alleen al was fantastisch, maar de chedi's zelf waren ook meer dan de moeite waard.
We wandelden er rond, hier en daar begeleid door groepjes kinderen die eigenlijk naar school hadden moeten gaan.
Verder weg van het dorp waren er geen kinderen meer die steeds bye bye roepend op je afrenden, maar uitgestrekte akkers en vrouwen die met manden op hun hoofd liepen. Hier was geen meter straat verhard, geen huismuur van steen: alles hout en bamboe en erfjes van aangestampt zand.

Een bizarre cirkel

Met deze laatste alinea uit mijn reis-dagboek van 2008, en de alinea uit mijn reis-dagboek van 2015 waar dit stukje mee begon, sluit zich een bizarre cirkel rond twee plekken die we bezochten toen we van niets wisten, en die daarna eventjes het wereldnieuws haalden.


Amsterdam, mei-juli 2015

maandag 26 januari 2015

India Nieuwsbrief, Jaargang 2015 Aflevering 3: Drie maal is scheepsrecht?

Penang
Penang is officieel het eiland en de deelstaat, Georgetown de stad, maar ook die kun je Penang noemen. De stad heeft een oud historisch centrum, Unesco erfgoed, dat weer een koloniaal deel heeft met statige Engelse gebouwen, en een veel groter deel daaromheen met veel oude Chinese huizen, tempels en kongsi-gebouwen vol rode en gouden lampions. Veel oude panden zijn mooi gerestaureerd. Daar tussendoor groene moskeeën en bonte Hindu-tempels. Er midden in de straatjes die Little India vormen. De Bollywood- en tempelmuziek die over straat galmt; de geur van specerijen die over straat drijft; de winkels met stainless steel potten en pannen; de levendigheid en de kleuren; de vrouwen die in gekleurde sari's of bonte churida's of spijkerbroek door elkaar lopen, soms met hun lange zwarte haren helemaal los. En daarnaast twee backpacker-straatjes. De backpackers vallen echter in het niet bij de grote aantallen Aziatische toeristen.

De bewoners hadden intussen zo hun eigen plekjes, veelal toch etnisch gegroepeerd. Hier zag je een straatmarkt waar allemaal Chinezen aten. Daar was een stuk boulevard waar volop Maleise gezinnen flaneerden. En dan liep je langs een café dat vol zat met mensen van het Indiase subcontinent. En ze waren allemaal even vriendelijk en open, wat weer meer een Zuidoost-Aziatische eigenschap is.
Het historisch centrum was opgeleukt met straatkunst. Veel kunst. De meeste aandacht trok een serie grote muurschilderingen, waar iedereen mee op de foto wilde. Daarnaast was er een serie figuren/afbeeldingen in ijzerwerk. En dan de nodige wannabe galerieën.
De eerste dagen in Penang wandelden we eenvoudigweg veel rond door het centrum, en namen het allemaal in ons op. We wandelden door het Eastern and Oriental Hotel, waar William Somerset Maugham ook was geweest. We bekeken het kerkhof uit de koloniale tijd, waar de meeste mensen veel te jong gestorven waren aan tropische ziekten. We vonden een stamcafé, waar we bijna iedere ochtend een kopje koffie gingen drinken. Ook hier weer volop lekker eten. Er waren foodcourts en vegetarische Maleise, Chinese, Indiase en Japanse restaurants.
Wat hielp te genieten van dit eiland was het stralende weer: vanaf dat we hier aankwamen was het helder blauw en zonnig, een graad of 32, en dankzij het zeebriesje toch nog uit te houden.

Intussen zijn we binnen ons hotel naar een andere kamer verhuisd: goedkoper en beter, met uitzicht op zee en een soort van balkon - al kun je daar alleen via de nooduitgang komen. De schoonmaakster uit Medan groette ons vanaf het begin met haar stralende lach. Met de receptioniste en de manager, die eerst wat formeel waren, hebben we inmiddels een warme band opgebouwd. We weten alles over haar kinderen en de gezondheid van zijn moeder, en bespreken wat er zoal komt kijken bij het runnen van een hotel. Hij is er een half jaar geleden zonder enige ervaring mee begonnen - voor zijn vader is het een investering.

De eerste excursie die we maakten, was naar de botanische tuinen.
De entree was meteen een plaatje: mooi aangelegde tuinen met vijvers met planten met enorme bladeren drijvend op het water. De tuinen lagen in een vallei of kom, omringd door heuvels met bossen. De tuinen waren ruim opgezet met grote grasvelden, groepjes exotische bomen, kassen, wandelpaden en een grotere rondweg. We vonden een plattegrondje en gingen als eerste richting een pad dat door de jungle liep naar de plek waar ooit de oprichter van de tuinen een huis had. Het was dan slechts de rand ervan, maar het was toch een stukje tropisch regenwoud waar we doorheen liepen. Hoge bomen torenden boven ons uit, waar parasietplanten op groeiden, die luchtwortels als een gordijn naar beneden lieten hangen, waartegen weer klimplanten omhoog groeiden. Het geluid van insecten en cicaden was een onmiskenbaar en continue gepiep.
Het pad liep een heuvel op en aan de andere kant weer naar beneden, waar een vijver was die ook via een gemakkelijker pad vanaf de weg te bereiken was. Daar was een drooggevallen bedding van een beekje. Als je daar een paar meter doorheen liep was het helemaal alsof je omringd was door het donkere bos. Een bejaarde Maleisiër die hier iedere dag wandelde, riep ons terug, het was gevaarlijk vanwege slangen.
We wandelden in een grote boog over het terrein, genietend van de schoonheid en de rust.

De tweede excursie was naar een Nationaal Park op het noordwest hoekje van het eiland. Hier liep de jungle tot aan de kust waar wat strandjes waren. Maar wij kozen een minder gebruikt pad dat meer door de jungle ging. Torenhoge kaarsrechte bomen waren de koningen van het bos. Daaronder de kleinere bomen, bosjes bamboe en palmen, reusachtige planten die op 1/1000ste schaal bij ons een kamerplant konden zijn, klimplanten en lianen zo dik als een been. Omgevallen bomen lagen te verteren, en een lange stam was al helemaal uitgehold. De bladeren ritselden in de wind en een beekje kabbelde tussen de rotsblokken.
Het was een prachtige wandeling, maar net iets te lang voor mij. Waarschijnlijk zat vooral het klimmen en moeizame dalen me dwars. Het laatste half uur was dus afzien, maar er was geen andere keus dan doorgaan. Terug in het dorp deed een colaatje wonderen. En een dagje rust deed de rest.
De natuur hier maakt een overweldigende indruk. De oerkracht, de overvloedigheid en de reusachtigheid vervullen je met ontzag. Heel wat anders dan wat we in Nederland "natuur" noemen: aangelegde, aangeharkte en zorgvuldig gemanipuleerde perkjes.
India
Sorry dat "India" terug blijft komen als thema. Maar dit keer kwam India op mij af. In de wijk Little India hadden we een restaurant gezien dat "Dindigul Biriyana" heette. Na meer dan tien jaar in Dindigul gekomen te zijn, konden we het natuurlijk niet laten daarvan een foto te maken en die aan Gé en Gemma te sturen. Gé op zijn beurt zette die op facebook met het bijschrift "wie weet waar dit is?". Heel snel kwam het antwoord van onze gezamenlijke vriend Vinodh: zijn neef Sasi managet een restaurant in Penang!
Vinodh heb ik jaren geleden leren kennen toen er een hele filmploeg was neergestreken in Holland House om opnames te maken van Engelse les zoals een taalinstituut die gaf. En die school was van de schoonzus van Vinodh. Hij was soort van toeschouwer bij de opnames, we maakten eens een praatje en hij leende me een boek. Hijzelf had een gereedschapswinkel in Dindigul, waar we sindsdien geregeld komen.
Uiteraard gingen we eten bij de Dindigul Biriyani. In eerste instantie wist Sasi niet wat hij met ons aan moest, en was een beetje verlegen. Maar zoals we het van Zuid Indiërs kennen, brak langzaam het ijs, en werd het toch nog gezellig. Een jaar geleden was hij naar Maleisië gekomen op verzoek van een vriend van zijn vader die hier een juwelierszaak had en wilde diversifiëren en daarom een restaurant ging openen. Een andere, wat oudere man was ook uit Dindigul gekomen en zat achter de kassa en leek nog iets hoger in de hierarchie te staan. Oh ja, de kok was ook overgekomen uit Dindigul. Om precies te zijn, de voltallige staf van 8 man was ingevlogen om in dit restaurant te werken. Ze kwamen allemaal uit dezelfde wijk van Dindigul.
De biriyani was uitstekend, misschien wel de beste van Dindigul. De zaak had een frisse moderne uitstraling. Niet een van die restaurantjes die je helemaal mee terug naar Zuid India neemt.
We overtuigden zelfs de manager van ons hotel er eens te gaan eten.

We gingen eten in een (ander) Zuid Indiaas restaurant. Hier had zich een ongekend stukje fusion voorgedaan. Het had alles van een authentiek Indiaas restaurant, maar ze serveerden ook namaakvlees in de Noord Indiase thali, en bij de ingang was een buffet waar je naast rijst zelf gerechten kon uitkiezen die op je bord geschept werden. Allebei deze elementen waren uit de Chinese keuken geleend. Dus er was toch wel wat uitwisseling tussen de bevolkingsgroepen. Zoals we al vaker Indiers bij de vegetarische Chinees hadden zien eten. En Chinezen bij de vegetarische Maleiër.

Thailand
Onze vlucht terug naar Amsterdam zal uit Bangkok vertrekken. Ons plan is om in kleine of grotere stappen over land tot Bangkok te reizen. Als je overland inreist, krijg je maar 15 dagen, en dat vinden we te kort. Dus moesten we een ochtend en een middag naar het Thaise consulaat. De aanvraag was eenvoudig en rechttoe rechtaan. Verreweg de meeste tijd waren we kwijt in de stadsbus die onmogelijke kronkels en lussen in de route heeft, en er oneindig lang over leek te doen.
Dit is de derde keer is dat ik me de overland route van Penang naar Bangkok heb voorgenomen. De eerste twee keer is het plan mislukt. Allebei de keren had ik eerder te veel tijd verloren in Bali respectievelijk Sumatra, en moest ik dat goedmaken door vanaf Penang te vliegen respectievelijk de nachttrein te nemen.

Ik ben dus heel benieuwd hoe het dit keer uit zal pakken. Op dit moment weten we nog niet hoe lang we nog in Penang blijven. Voorlopig bevalt het hier. E. is begonnen met het daadwerkelijk schrijven aan haar boek, en dat geeft mij gelegenheid in een café te zitten en een beetje rond te kijken. Dat bevalt me wel.

Penang, 26 januari 2015

woensdag 1 december 2004

Ochtenddans



Zachtjes ritselen de kleine dunne bladeren van de jonge bamboestruik tegen de hoge papyrusplant. De groene ritsen peperkorrels wiegen in de wind die zachtjes door de klimplanten waait. Roodbruine koffiebonen spiegelen zich aan groene kardemom­vruchten. Kaneel en vanille vormen zich in de schil. De limoenboom en de bananenboom maken een lichte buiging naar elkaar. Door het hoge dak van palmbladeren vallen de eerste zonnestralen van de dag. De lichtbundels tekenen zich af in de lucht die nog ietwat vochtig is van de koele nacht. Over zo een lichtbaan glijdt een vlinder naar beneden. Over een andere zeilt een kleine spin aan zijn ragdunne draad. Een krekel en een gekko roetsjen over een nat bananenblad naar beneden, staan als in de lichtbundels op het toneel, en beginnen een dansje met elkaar. Een kleine schorpioen en een kakkerlak huppelen samen door het natte gras.  Een eekhoorntje springt uit de struiken en vraagt een kleine aap ten dans.

De dikke stammen van een oude bamboestruik tikken met een hol geluid op elkaar, als de stokken van een drumstel. Ze geven het ritme aan waarop de palmbladeren een melodie weven. Een dikke vogelspin tapdanst, zijn harige poten slaan met een metalen klik op de grond. De eekhoorntjes vormen op de bühne het achtergrondkoor. De vogels tsjilpen de eerste stem. Het ochtendconcert kondigt vrolijk de nieuwe dag aan. De rode bloemen van de kerststruik openen zich. Diepblauwe bloemen van een klimplant en roze trompetbloemen vormen het decor. 

Een zware bas voegt zich toe aan het orkest. Boem… boem… boem… boem… Het zijn de voetstappen van de olifant. Vanuit het park stapt hij de kruidentuin in. Op de open plek richt hij zich op zijn achterpoten. Zijn slurf steekt hoog de lucht in. Hij begint een trage rondedans met de bizon, die ook uit het park is komen kijken. Het geloei van de waterbuffels versterkt de uitgelaten stemming. Ze komen uit de drassige weide om mee te feesten. Zelfs de tijger laat zich zien, en rent vrolijk rond. Het bamboehuis beweegt enigszins moeizaam zijn stijve lange benen, en staat heupwiegend op de maat toe te kijken. 

En dan - - - knars - - - piept het ijzeren hek. Daar nadert een mens! In een oogwenk springen de tijger, de olifant en de bizon over de muur, terug het park in. De tijger verdwijnt diep in de donkere bossen. De olifant laat zich te water in het meer, en zwemt naar de overkant. De bizon graast op het groene gras. De waterbuffels wentelen zich in een modderpoel voor hun ochtendbad. De apen roepen oe-oe-oe vanuit het bamboebos. De eekhoorntje zitten op een boomtak te kwekkeren. De vogels ritselen door de bladeren onder de struiken. De gekko zit op een muur gekleefd in afwachting van een mug. De krekel zit aan de rand van de vijver. De spin wacht in zijn spinnenweb op een vliegje. De vlindert drinkt honing uit de rode kerstbloem. De schorpioen, de kakkerlak en de vogelspin verschuilen zich weer in de badkamer. Het bamboehuis staat stijf in het gelid.

Alles is weer normaal. Of juist niet…? Wat is normaal? Hoe de mens alles ziet, of hoe de natuur jubelt tijdens haar ochtenddans?

Kumely (KE), december 2003



PS: Later is me gevraagd hoe ik toch al die dieren-schepsels heb kunnen verzinnen. Het antwoord is: niets is verzonnen, ieder dier dat genoemd is, was aanwezig in de Kumely Spice Garden waarin we woonden, of het aangrenzende Periyar National Park.