Posts tonen met het label 20 jaar later. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 20 jaar later. Alle posts tonen

dinsdag 5 november 2024

De augurken-mannen, de augurkenkoning

Oos Kesbeke was nog geen Bekende Nederlander toen ik hem leerde kennen.

Dit verhaal begint ruim 20 jaar geleden in Zuid-India. We gaven een workshop playful learning aan de onderwijzeressen op een kleine particuliere school in Dindigul. De school werd gefinancierd door de familie van Saleem, dus uit beleefdheid kwam hij even zijn gezicht aan ons laten zien. Saleem bleek een uiterst innemelijke man te zijn. Afkomstig uit een rijke familie, maar hij had zijn eigen kapitaal verdiend in de augurken-teelt. Hij had zijn eigen ideeën, ging zijn eigen weg, wat in het conservatieve Zuid-India niet te onderschatten is. We mochten elkaar wel.

Hij kwam jaarlijks naar beurzen in Europa om zijn augurken te verkopen. Tijdens een van die reizen, 15 jaar geleden, kwam hij bij ons op bezoek in Amsterdam. Wil je wat van de stad zien, vroeg ik. Nee, daar had hij geen zin in, al die Europese steden zagen er hetzelfde uit: een rivier, een kathedraal en een plein. Londen, Rome, Parijs, allemaal één pot nat. We hadden al sokken voor zijn schoonvader gekocht bij Peek en Cloppenburg. Wat nu nog te doen?

Ik had laten vallen dat bij ons om de hoek de enige Amsterdamse augurken-fabriek staat, van Kesbeke. Daar wilde hij wel kijken. Dat kan zomaar niet, zei ik, in Nederland gaat alles op afspraak. Hij wilde het toch proberen. OK. We wandelden ernaartoe. Kijk, die vaten komen van mij, zei Saleem toen we langs het opslagterrein liepen. Je rook de ietwat zurige lucht al die vaak rond de fabriek hangt.

Vaten met augurken

Aan de poort vroegen we of we meneer Kesbeke konden spreken. “Dat kan zomaar niet,” kregen we te horen. Maar na wat aandringen en het spelen van de kaart “deze meneer is helemaal uit India gekomen” mochten we dan toch eventjes 5 minuten binnenkomen. Maar echt niet langer. Het kantoor van Kesbeke was voor de helft gevuld met een enorm bureau en een nog enormer aquarium. Inmiddels bekend van de TV. Verder stond er een grote motor met veel chroom. Vanachter zijn bureau keek Oos Kesbeke ons een beetje wantrouwend aan. Wat had de kat nu weer binnengebracht?

De twee mannen begonnen elkaar een beetje te polsen. Wat doe jij dan? Welke wederzijdse kennissen hadden ze? Via welke tussenhandelaar waren Saleem’s augurken hier terecht gekomen? Wat voor motor heb je? Wat voor Jeep? Hoe duur is jouw Rolex? De augurkenwereld is een wereld van macho’s en patsers.

Kesbeke assorti

Langzaam werd het ijs gebroken en het gesprek werd gemoedelijker. Over soorten en kwaliteit van augurken. Over de verschillen tussen bewaren op zuur of op zout water. Heel voorzichtig over de mogelijkheid dat Saleem zonder tussenhandelaar aan Kesbeke zou leveren. Over de problemen die het op smaak brengen en bottelen met zich meebrachten. Die stappen deed Saleem nog niet maar hij zat er wel over te denken daarmee te beginnen, omdat daar nog meer mee te verdienen was, dan met enkel augurken in grote tonnen verschepen. Hij wierp een balletje op over mogelijke samenwerking, maar daar had Kesbeke geen oren naar. We kregen een rondleiding door de fabriek en langs de vaten die van Saleem kwamen. Al met al waren de vijf minuten uitgelopen tot een dikke anderhalf uur. Bij het afscheid vroeg Saleem of hij niet een paar potten augurken meekreeg voor zijn vrouw en mijn vrouw? Ja hoor. Dus met een paar zware glazen potten liepen we weer naar huis.

Na de introductie had ik weinig meer gezegd maar met verbijstering het verloop van de ontmoeting gadegeslagen. Saleem zou later een bottelarij openen in Dindigul. Ook daar heb ik een rondleiding gehad en zag de potjes augurken met AH-huismerk over de lopende band gaan. Kesbeke kreeg vorig jaar een reality-tv-show. Het eerste seizoen was leuk om naar te kijken: de macho met het gouden hartje. Het tweede seizoen verloor zijn charme omdat de deelnemers zich ervan bewust waren dat ze populair geworden waren. Mij zal die ene ontmoeting altijd bijblijven. Andersom is hij mij waarschijnlijk vergeten.

Bottelarij in Dindigul


Amsterdam, november 2024

donderdag 22 december 2022

Kalfjes voor kinderen - microkrediet wordt mini-ontwikkelings-fonds

Het was 2001. Het woord “microkrediet” bestond nog niet voor het grote publiek. Ik deed een maand vrijwilligerswerk in Zuid India, iets met studiefinanciering voor vrouwen. Dezelfde stichting had een neven-project om schooluitval onder meisjes te verminderen. Meisjes in arme gezinnen werden vaak thuisgehouden omdat ze in het huishouden moesten helpen of op het land werken. Zo’n gezin kreeg geld om een koe plus kalf te kopen. Op voorwaarde dat de dochter naar school ging. De melk die de koe opleverde, compenseerde het inkomensverlies. Als het kalf groot was kon het verkocht worden en de lening terugbetaald.

Op een dag ging ik mee op huisbezoek bij een gezin dat deelnam aan het kalfjes-programma. Na schooltijd, zodat we ook de dochter konden spreken. Achter op de motor bij een lokale medewerker reden we het dorpje in. Armoedige huisjes, onverharde straten, geen straatverlichting, geen water, geen riolering. Bij een huisje met muren van gewoven palmbladeren stopten we. Priya had haar schooluniform nog aan, en de haren in twee vlechten opgestoken met een bloem er in. Ze was een enthousiaste vrolijke meid met een stralende lach, die trots de koe en het kalf liet zien. De koe werd net gemolken. Of ik een bekertje verse melk wilde? Ik wist toen nog niet dat je die beter eerst kon koken. Zo lauw van de koe en heel romig was het wel een bijzondere sensatie.

Intussen werd gecontroleerd of het veevoer en de verzekering op orde waren. De ouders waren veel schuchterder maar vertelden erg blij te zijn met de extraatjes voor het gezin die ze uit de verkoop van de melk konden betalen.

Het is 2022. Het woord “microkrediet” is in India de facto verboden. In de tussenliggende jaren is de stichting waar ik toen voor werkte flink geprofessionaliseerd. Er worden nu allerléi projecten gefinancierd, juist ook om kleine bedrijfjes op te starten. Tot voor kort heette dit allemaal “microkrediet”. Maar nu niet meer. India heeft een nieuwe regel uitgevaardigd dat wie dat woord gebruikt in folders en op websites, aangemerkt wordt als een bank van lening. Dan moet je belasting gaan betalen en val je onder strenger toezicht. En daarvoor is deze stichting toch nog een maatje te klein. Gelukkig gaat het werk onder een andere naam gewoon door: mini-ontwikkelings-fonds.

---

Inzending voor Oikocredit verhalen wedstrijd met als thema "microkrediet", december 2022.

maandag 9 december 2019

White Island uitbarsting (Whakaari eruption)


9 December 2019 was er een uitbarsting van de vulkaan Whakaari/White Island, Nieuw Zeeland. 19 Doden, 2 vermisten en 30 gewonden. De uitbarsting overviel de bezoekers. Bijna allemaal buitenlanders "want  Nieuw­zeelanders weten wel beter dan naar dit gevaarlijke oord te gaan" - zoals een local mij vertelde. "Maar het is al decenia lang goed gegaan" - zei de burgemeester. Soms maar nèt, zoals ik uit de eerste hand kan navertellen.

White Island

Whakatane is een stadje aan een riviermonding met de nodige toeristen die afkomen op de iets verderop gelegen zandstranden of voor een tour naar White Island. Tot die laatste categorie hoorde ik, dus onmiddelijk na aankomst boekte ik de boottocht.
"De vulkaan is de laatste dagen erg actief", zei de mevrouw van de Tourist Information. Goed nieuws, hoewel té actief (of te veel wind) zou betekenen dat de tour niet door zou gaan.

Om 2u vertrok de boot naar White Island. Het was een nieuwe, luxe, modern ingerichte en uitgeruste boot. Op de open zee werd de snelheid opgevoerd en we legden de 50km af in 5 kwartier. Daarna werden we met een klein rubberbootje aan land gebracht, met een ladder en een plank over grote rotsblokken.

Het eiland / de vulkaan was sinds augustus, toen een nieuwe vent gevormd was, actiever. En gisteravond was weer een niewe vent gevormd! Sindsdien was er ook continue seismische activiteit. Het jammere was, dat de wandeling over het eiland nu niet tot aan de kraterrand ging - te groot risico op uitbarstingen.


Het eiland was ongekend droog en stoffig. De vulkaanas stoof op bij iedere voetstap en windvlaag, en snel werd alles grijs. Het eiland was de top van een vulkaankrater, het laagste punt lag onder de zeespiegel, en je wandelde binnenin de krater, maar dus niet tot de actieve opening (vent)- daar zag je wel enorme stoomwolken uit opstijgen. Afhankelijk van het overheersende metaal waren heuvels in groen of grijswitte as bedekt, oudere lagen waren ook rood en geel. Tegen de bergflanken -de binnenkant van de krater- lagen her en der felgele zwavelhopen waar heet stoom uit donderde. Een soort beekje van zuur water sijpelde door een bedding, hier en daar borrelend. Het was een bijna buitenaardse ervaring hier rond te lopen!

Vlak bij de plek waar we aan land waren gekomen, stonden de resten van een oude zwavelwinningfabriek - de houten balken nog in goede staat, alle ijzer weggevreten door de zure lucht.

Net toen we weer van land zouden gaan, was er een uitbarsting: de centrale opening was in een donkere wolk gehuld. Een minuut later regende het zwarte, natte as over ons heen. We werden gemaand snel de boot in te gaan.
Een half uur later, nadat we nog wat voor de kust gezigzagd hadden en net een of twee km weg waren, was er weer een uitbarsting. Van deze afstand zag je de de aspluim opstijgen en langzaam verwaaien.
Het droge stof had mijn haar een Einstein-coupe gegeven: rechtopstaand alsof het onder stroom stond.

De volgende weken bleef White Island gesloten voor bezoekers.

Whakatane, Januari 1999



zondag 22 september 2019

De laatste koning van Burma en de laatste keizer van India (2/2) The Last Mughal - William Dalrymple


William Dalrymple - The Last Mughal

Dalrymple beschrijft de gebeurtenissen rond de grote opstand in India vanuit een origineel perspectief, wat behoorlijk afwijkt van de Britse geschiedschrijving.

Bahadur Shah Zafar was in naam de keizer of mughal van India, maar alle zeggenschap lag bij de Britse bezetters. Na een grote opstand in 1857-1858 werd hij verbannen (en passant het evenwicht tussen hindoes en moslims in India voorgoed verstorend) naar Rangoon in Burma - nu Yangon in Myanmar. Daar overleed hij in 1862. Hij werd zo snel mogelijk door de Britten begraven op een geheime plek, om geen pelgrimsoord voor anti-Britten te creëren. In 1991 werd zijn graf herontdekt.

Het graf

De plek van zijn graf was dus lange tijd geheim. Maar in het boek stonden een paar aanwijzingen waar het was, dus nu wilden we ernaar op zoek. De eerste stap was dat we een hotel gezocht hadden aan de kant van de stad waar het graf zou zijn (Theatre road had inmiddels een Burmese naam gekregen, maar de gok was dat die in de buurt van het National Theatre geweest moest zijn.).

De tweede stap was dat we bij de hotelreceptie informeerden naar het graf van de Sjah. Vijf mensen, waarvan drie actief, puzzelden het antwoord bij elkaar, en ze schetsten zelfs een kaartje. Het was een half uurtje lopen. Door de ambassadebuurt, met ook veel leegstaande ministeries. De hoofdstad was recent verplaatst naar een nieuw-gebouwde stad in het binnenland. De Russische ambassade was een ongekende vesting met hoge muren, veel prikkeldraad, zware bewaking en afgezette straten.

Op de bestemming aangekomen moesten we vragen naar de precieze plek. Vijf verschillende mensen gaven vier tegengestelde aanwijzingen. Maar na nog een kwartiertje hadden we de juiste plek gevonden.



Een kleine compound met Islamitische torentjes; enkele hallen ("in samenwerking met de regering van India opgericht"); drie "graven" die er uitzagen als een opgemaakt bed, voor de Sjah, zijn vrouw en zijn (schoon)dochter. Iets verderop, op de plaats waar in 1990 zijn echte graf gevonden was, een kelder en nog een tombe.

Er waren nog wat bezoekers, die de overledenen als heiligen vereerden (in de religieuze zin). Het was tegelijk levendig en sereen. Het geheel was eenvoudig maar maakte toch indruk.


Yangon, januari 2008

De laatste keizer van India was verbannen naar Burma. De laatste koning van Burma was juist verbannen naar India. Van beiden had ik nu de laatste woonplaats/rustplaats bezocht. Zo wordt geschiedenis iets wat je aanraakt.

PS Tegenwoordig zijn beide plaatsen gemakkelijk te vinden met Google Maps; het paleis is een museum en het graf trekt veel buitenlandse bezoekers.

Meer

Lees verder over de laatste koning van Burma.
Meer boekbesprekingen (o.a. Giles Milton, Kader Abdolah, Dave Eggers).

De laatste koning van Burma en de laatste keizer van India (1/2) Het Glazen Paleis - Amitav Ghosh


De Britten hadden een gewoonte om verslagen en afgezette heersers uit hun koloniën te verbannen naar andere landen. Daarmee voorkwamen ze dat ze een martelaar-figuur zouden worden die opstandelingen zouden kunnen inspireren.
De laatste koning van Burma en de laatste keizer van India werden naar elkaars land verbannen, en van allebei heb ik hun laatste woonplaats/rustplaats bezocht. In allebei de gevallen op aanwijzingen van een boek waarin ze voorkomen.

Amitav Ghosh - The Glass Palace (Het Glazen Paleis)

Het Glazen Paleis is een prachtig roman tegen de historische achtergrond van Thebaw, de laatste koning van Burma, en hoe het verder verging met mensen uit zijn staf en kennissenkring. De verschillende verhaallijnen spelen dwars door India, Burma en Maleisië. Het opmerkelijke is, dat ik bijna alle plaatsen waar het boek speelde, al ooit bezocht had: o.a. Mandalay, Rangoon, Calcutta, Penang en zelfs de verborgen archeologische opgravingen van Lembah Bujang.

Thebaw, de laatste koning van Burma, werd in 1885 afgezet. Hij werd verbannen naar Ratnagiri, een kleine stad aan de westkust van India, ruim 300 km onder Bombay - nu Mumbai. Er werd een klein paleis voor hem gebouwd. In 1916 overleed hij en werd begraven op een ommuurd gedeelte van de christelijke begraafplaats.


Het paleis

De reden dat ik Ratnagiri bezocht was dus om het paleis van de koning te bezoeken. Dat was een stuk indrukwekkender dan ik verwacht had: tamelijk groot, drie verdiepingen, veranda's en balkon, majestueus, op een flink stuk land. De bijgebouwen aan de achterkant waren nu van een archeologisch of onderwijsinstituut. Het hoofdgebouw stond leeg. Er groeide gras uit de kieren, dakpannen waren gebarsten, ruiten stuk. De deuren zaten op slot. Ik overwoog even of ik in zou breken, wat zeker zou lukken met wat geweld, maar dat ging toch te ver.

Ik liep een paar keer om het gebouw, en vond een trap waarmee ik op het achterbalkon kon komen. Daar zat een deur niet op slot. Zo kon ik naar binnen. Ik zwierf door de volkomen lege zalen en vertrekken, over de grote houten trap en tot het voor-balkon, van waaraf de koning uitkeek over de riviermonding en de baai. Dat was een belangrijk element in het boek, en ik vond het geweldig dat ik nu hetzelfde uitzicht kon genieten. 


Tegenover het paleis voerde een stenen trap de heuvel af. Ik ging tot een kleine nederzetting van armoedige hutjes. Waarschijnlijk kon je verder tot de rivieroever, maar dat deed ik nu niet. Ik liep terug naar boven en ging op zoek naar de Collector's Bungalow. De collector en zijn vrouw speelden ook een belangrijke rol in het boek. Deze plek was minder makkelijk te vinden, iedereen wees me een andere kant op. Wat het dan uiteindelijk zou moeten zijn, was een verrassend eenvoudig optrekje voor wat indertijd de belangrijkste Britse bestuurder van een district was. Iets onder de tuin was inderdaad een punt waar je kon zitten en over de rivier kijken.

Ratnagiri, november 2004

Meer

Lees verder over de laatste keizer van India.
Meer boekbesprekingen (o.a. Giles Milton, Kader Abdolah, Dave Eggers).

zondag 12 juni 2016

Hotel Morin, Hue, Vietnam - 20 jaar later - van moeder op dochter

Samen met Hoi An was Hue de enige plaats op onze route die overlapte met mijn reis van 20 jaar geleden - toen begon Vietnam net open te gaan voor toeristen en was er nog nauwelijks infrastructuur. Meest opmerkelijk was nog dat we toen in Hue in het beste en goedkoopste hotel van de reis verbleven, het Morin, en dat dat nu helemaal was opgeknapt en een duur hotel. Een echt landmark, op een kruising van Le Loi en de brug. Er logeren was nu ver boven ons budet, maar ze hadden een goede deal voor het ontbijtbuffet. Evengoed duurder dan enig diner deze reis, maar toch. Er was een uitgebreide keuze uit fruit, vruchtensap, cornflakes, volkorenbrood, echte kaas, zelfgemaakte ananasjam - en nog veel meer. We zater op de binnenplaats naast de fontein - waar E. nog twee kikkers uit redde die niet tegen de gladde tegelwand opkwamen. Ommuurd door de verschillende vleugels van het hotel, in koloniale grandeur en wat misschien ooit een kazerne geweest was: grote kamers langs lange gangen die op de binnenplaats uitkeken. 
Hotel Morin 2015

Was het indertijd vergane koloniale glorie, met tegelvloer en enorme badkamers, nu was het allemaal uiterst goed verzorgd. We kwamen er alleen niet achter of het oude gebouw helemaal gesloopt en herbouwd was (maar daarvoor leken teveel dingen nog op vroeger) of "alleen" gerenoveerd (maar daarvoor leek het schuine stuk bij de kruising te groot). Uiteindelijk denk ik dat er een nieuwe, grotere vleugel is bijgebouwd, en de ingang gedraaid is.
Hotel Morin 1989
In de namiddag gingen we er weer naar toe voor de massage die we onszelf al tijden beloofd hadden. We hadden eerder al rondgekeken, de goedkopere spa's hadden wel heel slechte kritieken, en het Morin was nauwelijks duurder dan de opties die we overwogen. Na een kopje gemberthee werden we naar de kleedkamers geleid, waar E. een katoenen kimono kreeg en ik een zeer ruime korte broek. Eerst de stoomsauna - uitgevoerd in prachtig natuursteen. Daarna afkoelen in de jacuzzi - die iets warmer gemogen had. Dan de gewone sauna en nog eens afkoelen. Na een uurtje meldden we ons voor de massage. Twee leuke Vietnamese dames in een wit pakje wachtten ons op en lieten ons een kamer binnen met twee massagetafels. Het was extra leuk om te zien hoe de andere dame bovenop E. ging zitten om haar nek en schouders te masseren, terwijl ik voelde dat mijn dame hetzelfde bij mij deed. Niet te vergelijken met een Thaise massage, maar bij vlagen toch behoorlijk stevig. Het waren kleine meisjes, maar ze hadden wel kracht in hun handen. Ze moesten natuurlijk erg lachen om mijn lengte, mijn lichaamshaar, mijn grote neus, en soms weet ik niet waarom. In ieder geval was het leuk dat ze er lol in hadden.

Hotel Morin 1938
Bij het afrekenen vertelde de hostess van de spa dat haar moeder 20 jaar geleden in de huishouding in het hotel gewerkt had en dat ze als klein meisje wel eens mee kwam. Misschien hadden we elkaar dus al ooit gezien. Ik zei: doe de groeten aan je moeder. Zij zei: ik hoop dat jullie kinderen ook weer hier komen.

zaterdag 23 april 2016

Verdwaald in de jungle van Sumatra


Er is een hoos aan televisie programma's over mensen die verdwalen in de jungle, overlijden op wereldreis, of het juist ternauwernood overleven. Dat deed me terugdenken aan een van de hachelijke ervaringen die ik zelf gehad heb. Ik ben gezegend met een behoorlijk gevoel voor richting, maar verdwalen in de jungle kan je wel heel gemakkelijk overkomen.



November 2000. We hadden het plan opgevat om in een maand tijd Sumatra van zuid naar noord door te trekken. Ik had al heel wat gereisd in Azie, maar ik was nog nooit in zo'n uitgestrekt en dunbevolkt gebied geweest. Behalve lange-afstands-nachtbussen (die ik vermeed) was er nauwelijks openbaar vervoer. En als het er al was, was het langzaam en onbetrouwbaar. Zo hebben we in een plaatsje drie ochtenden op de aangewezen plek gestaan voor er een busje ook daadwerkelijk vertrok. En zijn we drie keer tegen het vallen van de avond uit een bus gestapt die bij lange na nog niet op z'n eindbestemming was, om bij daglicht een onderkomen te kunnen zoeken.
Dunbevolkt dus.

Zodoende vorderden we moeizaam en langzamer dan gepland en waren meer tijd kwijt met onderweg zijn, dan met genieten van de mooie plekjes. Maar in het stadje Sungai Panui (Sungai Penuh) in de Kerinci vallei gunden we onszelf een paar dagen pauze. We bezochten er een aangename hot spring..
Zicht vanuit de vallei op de uitlopers van de bergen
Rondom de Kerinci vallei lag het Kerinci National Park, een gebied van honderden kilometers. Een wandeling door de jungle zou geweldig zijn, maar we deden geen onverantwoorde dingen, dus we gingen eerst informeren bij het NP-hoofdkwartier. Waar kon je een mooie wandeling maken, en hoe pakte je dat aan met vervoer naar het beginpunt en een gids? Een groepje rangers legde ons de verschillende mogelijkheden uit. Het gebied waar we eergister met de bus vanaf Tapan doorgereden waren, leek ons wel wat. Een van de rangers zei dat hij een autootje had om er naar toe te rijden en wel wilde gidsen. Voor hem waarschijnlijk een schnabbel erbij.
Hij ging thuis zijn auto halen, een blauw mini-pickup-truckje van zijn broer, dat bijna niet in zijn één te schakelen was en nauwelijks remmen had.

We parkeerden 15 km verderop, bij een klein eethuisje langs de weg. Om 10u gingen we op pad, eerst tien minuten over de weg, en toen een pad in. Het pad werd snel slechter, en het bos dichter. Er groeiden zoveel takken, varens en doornige struiken over het pad, dat ik bijna steeds gebukt moest lopen, soms was het bijna kruipen. Het leek een soort tunnel tussen/onder dichte varenstruiken door. Als langste van de drie had ik daar het meeste last van, en ik was zo daar mee bezig dat plezier in de wandeling en de omgeving er bij inschoot.

Na een uurtje hadden we overleg: omkeren of betere paden opzoeken? Ik wilde geen spelbreker zijn en zo snel stoppen, dus probeerden we onze gids duidelijk te maken dat hij betere paden moest opzoeken; hij leek het te begrijpen.
Maar na nog een half uurtje, leek hij steeds minder zeker van zijn zaak, keerde geregeld op zijn schreden terug. We maakten duidelijk dat we nu echt naar de doorgaande weg terug wilden. Ja, ja, volg me maar, deze kant op, gebaarde hij dan. Toen hij, na een expliciete vraag of hij wist waar de weg was, zei: we moeten vertrouwen op Allah, nam mijn vertrouwen in hém behoorlijk af. Intussen kon je het al geen pad meer noemen wat we liepen: voortdurend moesten we ons een weg banen door de slingerplanten, doornstruiken en kreupelhout. Toen ik op m'n kompas zag dat we voortdurend van richting veranderden, en eigenlijk maar wat liepen te dolen, begon ik me zorgen te maken. Ik wist dat hij het niet wist, maar had zelf in het begin ook niet opgelet hoe we liepen. Normaal zou ik altijd exact dezelfde weg terug hebben kunnen vinden, maar nu dus niet. We hadden immers een officiële ranger van de parkbeheerorganisatie bij ons. Kun je het beter doen?

Bij gebrek aan beter volgden we nog een keer de gids: hij wees naar een heuveltop, en zei dat hij vandaar zeker de weg zou weten/zien. Intussen was er van een pad absoluut geen sprake meer; het werd een gevecht door de begroeiing, waarbij we intussen al de nodige bloedende schrammen en scheuren in onze kleren hadden opgelopen. Het werd echt eng toen we als het ware over een dak van varens op het kreupelhout verzeilden, meters boven de grond. Zo nu en dan brak een tak of verstapte je je, en viel je een meter naar beneden. Het idee hier wat te breken of zelfs maar je enkel te verstuiken, was angstaanjagend.
De gids gaf toe dat hij wel bekend was in een ander deel van het bos, maar aan deze kant eigenlijk nooit geweest was. Als we dat eerder geweten hadden! Hij had het intussen al over in het bos slapen, en hopen dat ze ons morgen zouden komen zoeken. Wie zou ons eigenlijk missen en wie wist in welk gebied we waren gaan wandelen? En hoe grootschalig zou een eventuele zoektocht zijn? Ik maakte me nu echt ernstig zorgen hoe dit af zou lopen.

Na een zware tocht van zo'n drie kwartier over 100 meter, waren we bij de heuveltop waar de gids zijn hoop op gevestigd had. Tevergeefs. We zagen de regenbui al over de eerstvolgende bergrug aankomen.

Kerinci National Park

Nu het duidelijk was, dat onze gids geen enkel goed idee meer had, werd het tijd om de leiding in handen te nemen. En daar ging onze gids dankbaar in mee. In het zand tekenden we hoe de berghelling ten westen van de vallei lag. Als we naar het oosten zouden lopen, moesten we ergens uitkomen. Zwak punt in dit plan was, dat het wel 10 of 20 km kon zijn, en we misschien maar 250m per uur aflegden, dwars door de bush. Dat kon dus 4 à 8 dagen duren. Vier dagen zouden we dit toch vol moeten kunnen houden, zonder eten? Ik koos voor zuidoost als richting, omdat ik meende dat de weg ten zuiden van ons moest zijn. In ieder geval leek een rechte lijn ons beter dan cirkeltjes draaien. Hoe moeilijk het intussen ook was, we konden elkaar om de beurt een beetje opbeuren.

Na een tijdje stonden we weer voor zo'n stuk varenbos waar we hoog over het kreupelhout zouden moeten, ook een schrikbeeld. We hoorden een riviertje en overwogen dat stroomafwaarts te volgen - dan moest je toch ook altijd ergens uitkomen. De afdaling ernaartoe was ook weer erg gevaarlijk: hoe lager we kwamen, hoe zompiger en gladder het werd. Dus of je gleed naar beneden of je zat vastgezogen in de modder. Na zo'n 20 minuten kwamen we bij het riviertje, een smal snelstromend beekje, en kon ik het bloed van mijn gezicht wassen. Maar de begroeiing bleek zo dicht, dat het onmogelijk zou zijn het te volgen. Bovendien liep het naar het noorden, intuïtief de verkeerde richting.

Er zat niets anders op dan de helling weer omhoog te klauteren, ons van de ene naar de andere boomstam vastklampend. Na pakweg een uur waren we terug op de plaats waar we het rivier-plannetje opgevat hadden. Dus toch maar weer teruggeschakeld naar het oorspronkelijke plan: een zo recht mogelijke lijn naar het zuidoosten. Onze gids was al lang overgeschakeld op "volgen", hooguit vragen of we zo goed gingen. Zelf voelde ik me er al beter bij tenminste een plan te hebben, en niet meer doelloos achter hem aan te zwalken. Als je op een zacht pak varenbladeren uitrustte, en vergat dat het straks zou gaan regenen, dacht je het zelfs nog een tijd vol te kunnen houden.

Maar intussen was ik ook behoorlijk uitgeput. We liepen immers niet, maar vochten ons door struikgewas en steile hellingen op of af. Lianen grepen je geregeld vast: soms om je voeten zodat je struikelde, soms om je lichaam zodat je ze stuk moest trekken of jezelf los moest maken.

De gids speurde naar afgebroken takjes, zodat we soms en stukje over een relatief begaanbaar oud dieren-spoor liepen (maar ook steeds weer kwijtraakten) terwijl ik in de gaten hield dat de overwegende richting zuidoost bleef, voor zover het terrein dat toeliet. Eigenlijk was zo een goede taakverdeling gegroeid.
Boom met stekels

Op een gegeven moment zag ik een mooie paddestoel in het gras, waarvan ik zeker meende die eerder gezien te hebben. Als het klopte zou er zo meteen aan de rechterkant een doornige stam komen, en wel op een punt waar ik me herinnerde dat we nog op een soort van pad liepen, vele uren geleden. Inderdaad, de doornige stam kwam, en hoewel de gids er alweer voorbijgesneld was, riep ik 'm terug en stond erop hier naar links, naar het zuiden te gaan. Ineens zag het er naar uit dat we vandaag nog thuis zouden komen! Wat een opluchting! Bijna meteen barstte de langverwachte stortbui los. Als die gekomen was voordat ik dacht dat we er uit zouden komen, denk ik niet dat ik de moed er nog in had weten te houden.
Al snel herkenden we dit inderdaad als het pad dat ik zo ongemakkelijk vond, maar waar we nog niet verdwaald waren. We vonden zelfs mijn zonnebrandcrème terug, die ik 's ochtends kwijt geraakt was toen mijn rugzak in de takken was blijven hangen en opengeritst. Doorweekt, en soms half kruipend en steeds wegglijdend over natte takken en bladeren, werd zelfs onze gids vrolijk. Hij kuste het asfalt toen we uiteindelijk terug waren bij de weg.

Terug naar het eethuisje, waar ik alles uitrok en uitwrong en mijn t-shirt te drogen hing bij het houtvuur, terwijl we een kopje hete koffie dronken.

Onze gids bracht ons terug naar de stad. We wilden mee naar zijn, inmiddels nagenoeg verlaten, kantoor. Hoewel we beseften hier geen westerse kwaliteitsnormen te kunnen verwachten, waren we toch zo verontwaardigd over de onverantwoorde en levensgevaarlijke situatie waar deze gids ons in gebracht had, dat we op het NP-kantoor wilden klagen. Al was het maar om herhaling te voorkomen. In hoeverre we daar in slaagden, was twijfelachtig, maar de boodschap dat we erg ontevreden waren, kwam toch wel over.
Als landlopers liepen we door het stadje terug naar het hotel. Vies, nat, gewond en met gescheurde kleren. In het hotel kwamen ze spontaan met thermosflessen heet water naar onze kamer rennen! De schrammen op gezicht, armen en vooral benen bleven nog dagenlang pijnlijk.

Echt, je hoeft niet hele rare of hele domme dingen te doen om in de jungle te verdwalen. De grootsheid en de woestheid ervan is wel heel gemakkelijk te onderschatten.

*November 2000 - Augustus 2001 - April 2016*