Posts tonen met het label 30 jaar later. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 30 jaar later. Alle posts tonen

zondag 23 juli 2023

Piramide te paard

 

Mei 1990, een weekje naar Cairo. Toen was dat met afstand de grootste stad waar ik ooit geweest was. De drukste, de meest chaotische, de heetste. De lastigste plaats om je hotel en je vervoer en je eten te regelen.

Natuurlijk wilden we ook naar de wereldberoemde pirami­des van Giza. Vanaf een hoger punt in de stad kon je de toppen boven de horizon zien uitsteken, ook al lagen ze 10 km verderop. Toen we het hotel uitkwamen, sprak een stu­dent ons aan, hij zou graag zijn engels oefenen. Hij was ook zo vr­ien­delijk ons te begeleiden in de taxi naar de piramides. De aan­komst was al indrukwek­kend, hoe die gigantische driehoekige monumenten omhoog rezen uit het woestijnzand. Onze student leidde ons langs een kleurrijk terrein waar paarden- ezels- en kamelen-ritjes werden aange­boden, naar een stoffig pleintje iets ver­derop, waar zijn neef een ritje te paard aanbood. Eerst een rondje om de piramides heen, alvorens er in te gaan, leek me wel wat. We onderhandelden een heel gunstige prijs. Ik vond paarden wel een beetje eng, maar door het mulle zand lopen leek ook geen goed idee.


Met wat hulp bestegen wij en onze begeleider de paarden en gingen op pad. Stapvoets door het witte woestijnzand langs de eerste piramide. Toen rechtdoor langs wat hutjes die aan een groene strook langs wat water lagen. Dat was wat verder dan ik verwacht had. We gebaarden eens vragend en er werd terugge­baard als 'een stukje verderop moeten we zijn'. Nou ja, we zouden wel zien.

Na een tijd begon de woestijn weer. De begelei­der gaf wat klikjes met z'n tong en de paarden gingen in galop. Het enige wat je nog kon doen was proberen je vast te klampen aan het paard, maar daarbij werd je vreselijk door elkaar geschud. En maar hopen dat dat paard ook in de buurt van de begeleider wilde blijven - al waren de onderlinge afstanden soms honder­den meters. Op deze manier viel er weinig te genieten van het onwezenlijke landschap van zand en glooiende zandrotsen.

Dieptepunt was toen mijn paard jeuk kreeg en even op z’n rug in het zand wilde schuren en rollen. Ik  kon er net op tijd afspringen om niet in de verdrukking te raken. De begeleider zette ons allebei weer rechtop. En verder ging het. We hadden intussen geen flauw idee waar we waren. Met de begeleider konden we niet communiceren en op eigen gelegenheid door de woestij dolen was ook geen optie. Ik had geen behoefte te ontdekken waaraan je eerder ten prooi zou vallen: de dorst of de hitte.


Na een paar uur (!) maakten we een korte stop in een tent in de woestijn. Niet ver daarna dook op wat als 'het doel' werd aangeduid: een door de tijd aangetaste trap-piramide. Ernaast waren opgravingen van gangen met muurte­keningen etc, waar we rondkeken. Pas later zou blijken op wat voor bijzondere plek we waren: de piramide van Sakara (Saqqarah), die 30 kilometer ten zuiden van Giza ligt, en met 4650 jaar voor zover bekend de álleroudste is.



Alleen... terug met die paarden? Onze begeleider duidde nog aan dat de terugrit inbegrepen was. Maar daar hadden we helemaal geen zin in. Bovendien zouden we het niet voor het donker halen. Gelukkig was het eenvoudig een auto als 'taxi' te charteren, terug naar Cairo.

De volgende dag reisden we bont en blauw naar Luxor. Alles deed pijn. Op de terugweg zijn we nog extra rechtstreeks van het vliegveld naar Giza gegaan. Zo hebben we alsnog de piramides van dichtbij en van binnen gezien.


Mei 1990, December 1995, Juli 2023

Meer

Meer reisverhalen en anekdotes uit het Midden Oosten.

dinsdag 8 november 2022

Uitgedroogd in Syrië (1997)

25 jaar geleden maakten J en ik een reis door Syrië. Een prachtig land met veel geschiedenis, veel monumenten en een bijzonder hartelijke bevolking. De familie Assad had alles toen nog zo goed onder controle, dat je daar als bezoeker niets van merkte. We bekeken de graftombe van Johannes de Doper in Damascus en Romeinse bouwwerken in Palmyra. Daarna staken we de woestijn door naar Deir-ez-Zur, een levendige stad aan de oever van de Eufraat. Daar wandelden we over de brug en zetten voet in Mesopotamië – het land tussen Eufraat en Tigris dat wel als de wieg van de beschaving gezien wordt.


Een van de belangrijkste steden uit de oudheid was Dura Europos. Sinds ongeveer 300 n Chr. is het verlaten en om het archeologisch belang aan te duiden wordt het wel het “Pompeï van de woestijn” genoemd. Daar wilden we wel rondkijken. Het lag zo’n 90 km van Deir-ez-Zur, aan de weg naar Bagdad.


Vanaf de weg waar de bus ons afzette, was het nog 2 km lopen onder de schroeiende zon. De hoofdpoort was afgesloten, maar even verderop was een kleinere poort, met bewaker. Een oude man met mantel, hoofddoek en geweer. Waarschijnlijk stak hij de toegangsprijs in eigen zak, want een kaartje kregen we niet. Dura Europos was een leuke plek om rond te struinen. Het was helemaal verlaten en vooral stoffig en rotsachtig, oker- en grijskleurig. Er waren restanten van stadsmuren en -poorten, maar het meeste lag toch ondergronds. De Eufraat lag zo’n 50 meter lager, machtig stromend, met een groene strook erlangs.

We hadden ons bij zo’n belangrijke opgraving meer faciliteiten voorgesteld. We hadden geen proviand en drinken bij ons, dus het ontbreken van zelfs een eenvoudig stalletje langs de weg was een tegenvaller. We hadden ook geen idee of en wanneer een bus terug zou gaan. Onder de brandende zon begon de hitte en de dorst ons op te breken. We hadden nog één fles met een bodempje water erin. Iets om zuinig op te zijn. Teruglopend naar de weg filosofeerden we hoe we zouden reageren als de ander ineens die slok water op zou drinken? Hoe lang zou het duren voor het thuisfront ons ging missen, zich ongerust ging maken, een zoektocht zou beginnen?

Toen hoorden we stemmen. Ergens tussen de stadsmuren van Dura Europos en de weg bleken onder een vale, laaghangende tentdoek drie arbeiders te rusten. Ze gaven ons stukjes watermeloen. De zoete, sappige hapjes smolten in de mond en smaakten heerlijk, precies wat we nodig hadden. Nog een bekertje koud Eufraat-water erachteraan. Vriendelijke conversatie met veel glimlachen over en weer. Onze redders. We knapten er helemaal van op en waren weer vol goede moed. Bij de weg kregen we al snel een lift terug naar Deir-ez-Zur.

Wij waren gered, maar Syrië bleef een uitgedroogd land. Tien jaar later zouden watertekorten mede aanleiding zijn voor de protesten waaruit de opstand en de oorlog uit voortkwamen.

 

Deir-ez-Zur, 1997 – Amsterdam, 2002

zaterdag 5 november 2022

Geweren en Bedoeïenen, Jemen 1996 (2/2)

 

Oost: Marib

Dag zeven zouden we naar Marib gaan, 200km naar het oosten, laaggelegen in de woestijn.

Vervoer was vandaag wat moeilijker, vanwege Eid al Fitr reden er nauwelijks taxi's. Bij de taxi­standplaats vonden we aansluiting bij een klein groepje dat ook naar Marib wilde. Een aardige Soedanees, een rare snuiter, een oude man met een jongetje en een baasje in militair uniform met een machine­geweer. Die laatste wilde persé de onderhan­delingen voeren. Hij wilde een bodemprijs. Twee chauf­feurs hadden geen zin daarvoor te gaan en reden door. Bij de derde duurde de discussies eindeloos en soms ging het er hevig aan toe. Driftig werd dan nog eens de stapel geld geteld die de militair al had ingeza­meld. Dan moest iedereen weer wat bijleggen en werd er nog eens geteld.

Tegen elven vertrokken we eindelijk. Door rotsige bergen, overgaand in vlaktes van puin en gruis. Dan steenwoestijn met struikjes, uiteindelijk echte geelwitte zandduinen waar gitzwart vulkanische gesteente door­heen­ stak.

De militair zat de hele tijd met zijn geweer te hannesen, niet zo aangenaam want je wilde niet dat hij het per ongeluk op je gericht hield.

Toen ineens een harde knal en een stofwolk ín de auto. Dat was schrikken. We hadden een lekke band. Veel moeite om het reservewiel los te krijgen. Wachtend in de zinderende hitte langs de weg ging ons militairtje wat schietoefeningen doen. Al die tijd kwam er geen verkeer ach­terop. Uiteindelijk was het wiel vervangen, maar toen we wegreden liep het aan en rook je brandend rubber. Nog een keer stoppen en een stuk van de auto wegbuigen.

(Nieuw) Marib was een lelijke rij benzine­pompen langs de weg. Eerst cola in een restaurant, dan naar een hotel.

We wandelden terug naar de taxistandplaats. De temperatuur was hier heel wat hoger dan in het toch al aangename Sana’a; de wind was ook warm; door de droge lucht merkte je niets van zweet. We charterden een pick-up truck om ons naar Old Marib te brengen.

Old Marib lag op een kleine heuvel, hoogstens tweehonderd meter in doorsnee. Het waren de ruïnes van wat eens een dicht­bebouwde stad was met kleine steegjes en huizen van drie, vier verdiepingen hoog. Nu zag je de half ingestorte huizen; gaten; trappen die in niets eindigden; leem en stenen; boom­stammen die als draagbalk gediend hadden. Een spookachtige sfeer, terwijl er toch nog een paar gezinnen woonden. Het was heel vreemd hoe iets wat stuk en vervallen was toch (juist?) zo mooi en indrukwekkend kon zijn.

We lieten ons terugbrengen naar de taxistandplaats met de twee cafés. Het eenvoudigste had een terras. Daar gingen we wat drinken. We waren zelf weer evenveel bekijks als andersom. Een enkeling zei eens wat maar niemand kon Engels. In Marib was geen lokale vrouw te zien. Bijna alle mannen liepen met een groot geweer om de schouder. Een heel wat minder prettig gezicht dan de sierdolken in Sana’a.

Mannen in pick-up trucks reden af en aan en kauwden qat en dronken thee. Als zo’n groepje het terras op kwam, legden ze hun Kalasjnikovs op het lage tafeltje, zoals we dat tegenwoordig met onze telefoons doen. Dat had tegelijk iets gemoedelijks en iets vervreemdends.

Twee keer kwam er een pick-up-truck langs met militairen en een groot machinegeweer achterop gemonteerd. Op weg naar Marib en bij de ingang van het dorp ook veel meer controlepos­ten (dan naar Ibb) en we moesten ook geregeld ons paspoort laten zien. (Maar altijd waren ze vriendelijk en was het in orde.) Was het omdat we hier zo dicht bij Saoedi-Arabië waren of omdat de Bedoeïenen hier wel eens toeristen kidnapten?

De volgende ochtend maakten we een toertje langs de bezienswaardigheden rondom Marib. Eerst naar de 'nieuwe dam'. Opgetrokken uit stenen hield die water vast uit het kleine riviertje, waardoor in de omgeving landbouw mogelijk was en Marib kon bestaan.

Toen naar de 'oude dam', die 3000 jaar geleden dezelfde functie had. Dit was toen het land van de koningin van Sheba. Alleen de sluizen aan de zijkanten tegen de bergen waren nog enigszins te zien.

Vervolgens bezochten we twee opgravingen van wat ooit tempels of palei­zen geweest waren, met als meest karakteristieke acht, respec­tieve­lijk vijfeneenhalve kaarsrechte zuilen op een rij vlak naast elkaar. Verder veel zand, zand, zand.

Noord: Shihara (Shaharah)

Dag tien en elf. We hadden een tweedaagse privé‑tour bij het hotel geregeld. Ali was de chauffeur van onze 4wd Toyota landrover.

Halverwege de middag werd het terrein voor de 4wd. De weg was zand, keien, uitgesleten sporen, omhoog en omlaag. Vallei na vallei bestond uit droog uitziend land, dat verrassend veel bomen, akkers, struiken, bananen en cactussen opbracht. Andere stukken waren weer dorder en verlatener. Hier en daar een kudde witte schapen of zwarte geiten met in zwart gehulde hoedsters.

Na twee uur gehobbel reden we een ommuurd terrein op, een soort binnenplaats zonder buiten. De uitgang werd meteen geblokkeerd met een rotsblok. We werden 'overgedragen' aan de Bedoeïenen die de berg Shihara controleerden.

Achter in een van hún pick-up‑trucks, met boven op het dak van de cabine een met machinegeweer bewapend escorte, gingen we zwoegend in anderhalf uur de on­waarschijnlijk steile en slechte weg omhoog. Meestal niet meer dan stapvoets. Het uitzicht naar beneden was spectaculair. Enorme hellingen volgebouwd met terrassen.

Boven verscheen uiteindelijk Shihara. Shihara was een bergdorp op een 2500 meter hoge top, waar de rest van de bergen niet hoger dan 1500 meter was. Helemaal uit stenen huizen opgetrokken. Half vier waren we in het hotel, waar we eerst even thee dronken om bij te komen van de zware rit en het geschud. Daarna een wandeling door het dorp. De twee helften van het dorp lagen op twee bergtoppen, over het akelig diepe ravijn ertussen was een stenen boogbrug gebouwd. Onbe­grijpelijk hoe ze die 1000 jaar geleden hadden kunnen maken. De laagvlaktes aan weers­zijden leken inderdaad kilometers lager te liggen. Het pad van de brug omhoog terug naar het dorp maakte je buiten adem. De grote hoogte en de ijle lucht natuurlijk.

Daarna nog even door het dorp zelf gewandeld. Kinderen riepen ons na en waren ook later het enige geluid. Verder wandelden mensen heen en weer, maar was er vooral erg weinig te beleven.

Terug naar het hotel. De 'kamer' was prima, een lemen, fris beschilderde ruimte met in de muren uitgespaarde 'kasten' en zitmatten rondom. Het sanitair verdiende die naam niet: een gat in de buitenmuur en geen stromend water.

Er waren geen andere toeristen in het dorp, maar de Bedoeïenen wisten heel goed hoe ons geld uit de zak te kloppen. Het hotel was onverwacht duur, en onze onderhandelingspositie werd verzwakt omdat zij wel bewapend waren en wij niet. Als klap op de vuurpijl wilden ze nog eens 100 rial p.p. toen we om dekens vroegen. Dat ging toch echt te ver, en na een hele discussie ‑waarbij het ontbijt als ruilmiddel werd ingezet‑ kregen we ze zo. En allemaal even nors en onvriendelijk. Zo werd het vooroordeel dat de Jemenieten tegen de Bedoeïenen hadden aardig bevestigd.

Al met al had het toch wel wat van een ontvoering: we konden nergens heen; zij hadden de sleutel van de kamer; zij bepaalden hoe laat het licht aan en uit ging; zij schoven het eten naar binnen (wat trouwens best goed was: brood, rijst, omelet, bonensaus, zoete honingtaart).

Ik had het met het vallen van de avond steeds kouder gekregen en werd vervolgens echt ziek. Koorts. Koud, rillen, hoofdpijn en pijn in iedere spier en bot. Wat een ellende. Wat duurde die nacht lang.

Toen het licht werd mochten we opstaan. De zware rit de berg af ‑ ik mocht gelukkig voorin zitten. Beneden werden we na het betalen van nog een som geld 'teruggegeven' aan onze Ali. Liggend op de achterbank van de landrover ging het terug over de steppes, daarna over de asfaltweg. We deden nog een paar bezienswaardigheden aan, maar ik bleef in de auto slapen.

Meer



vrijdag 4 november 2022

Reizen met Ramadan, Jemen 1996 (1/2)


Sana’a

Jemen kent een moeilijke jonge geschiedenis. Al in de jaren negentig was het er vaak onrustig. In een relatief rustige tussenperiode ging ik er met J en S naartoe.

Om kwart over elf ‘s avonds landden we in Sana’a, de hoofdstad van Jemen. Ondanks de hoogte, 2300 meter, was het niet koud maar aangenaam koel.

In de hal voor de immigratie stonden al lange rijen. Heel langzaam en druppel voor druppel kwam er een koffer over de band. Uitein­de­lijk werd het steeds rustiger in de aankomsthal en bleven we als enigen over. Zonder bagage. Moeizaam werd een registratie-formulier ingevuld. De douane-beambten moesten speciaal teruggeroepen worden om onze handba­gage te controleren, eigenlijk werd de tent gesloten.

Buiten een typische lucht van kerosine en rotte eieren. We namen een taxi. In het centrum was het (tegen één uur!) onverwacht heel erg druk. Dwars door een paar overvol­le marktstraten, waar het verkeer zo nu en dan vast zat als er ook nog een tegenligger kwam. Dit was een effect van Ramadan dat we niet voorzien hadden.

Een maand lang mogen de Moslims van zonsopgang tot zonsondergang niet eten, drinken, roken, vrijen, etc. Veel activiteiten verplaatsen zich naar de avond en de nacht, en de dag komt maar langzaam op gang.

Het is per land verschillend hoe streng de Ramadan toegepast wordt; in Jemen kon je als buitenlander op je hotelkamer wel eten en drinken. Overdag op pad smokkelden we wel eens een ijsbonbon in onze mond; soms een slok water op een afgelegen plekje. Zo hielden we het wel vol tot we eind van de middag op onze kamer waren en nootjes, rozijnen en bananen gingen snoepen.

De volgende dag maakten we een wandeling door de oude stad. In tegenstel­ling tot de nacht was het nu bijna uitgestorven op straat. Tussen de ingepakte marktkraampjes was een enkele geopend, en hingen en sliepen wat mannen. Verder overal veel kleine kinde­ren, die je met open bruine kijkers aanstaarden. Half verharde wegen tussen de huizen, meestal 3 tot 5 verdiepingen hoog, bijzonder mooi, allemaal in oude stijl, steen, boogramen, afgestreken met gips, dikke houten deuren.

We dronken een kruising tussen koffie en thee met de hoteleigenaar, die ons graag van allerlei tips en tours wilde voorzien. Ze belden ook voor ons naar het vliegveld of de KLM maar er was nog geen nieuws te melden van de tassen.

In de middag maakten we nog een wandeling door de oude stad. Het was intussen al flink drukker aan het worden. Overal markt.

Wij bekeken vooral de kledingkraampjes en sloegen wat luchtige kleding in. Eigenlijk was het zo veel leuker de suk te bekijken, nu we echt wat te kopen hadden.

Verder veel te zien aan Jemenieten: mannen in colbertjes, rokken of lappen. Vrouwen meestal helemaal zwart, altijd het gezicht helemaal bedekt. Een geweldige sfeer om tussen rond te lopen.

's Middags kon je al wel volop etenswaren op de markt en bij kraampjes kopen. We kochten ook cola ‑die we in de winkel mochten opdrinken, wat later een uitzondering zou blijken‑ en nootjes voor op de hotelkamer.

Om zes uur gingen we er op uit om wat te eten. Net als alle Jemenieten, die klokslag zes aanvielen.

Zuid: Ibb

In het hotel van de niet zo strenge eigenaar kregen we zelfs ontbijt.

Vanuit Sana’a wilden we vier excursies in de vier windrichtingen maken. We lieten wat spullen in het hotel achter omdat we hier over een paar dagen toch terug zouden komen ‑ onze bagage hopelijk ook.

De was bus vol. Dan maar doorge­lopen naar een terrein verderop dat vol stond met service-­taxi's. Met zijn tienen in een Peugeot 504-station. Wij zaten gewoon klem, een kleine Arabier werd ge­plet.

Langzaam werd het steeds landelijker. Kale rotsige bergen en dalen. Op de bergrug soms een dorp, de dalen veelal akkers, waarvan de meeste er dor uitzagen en een enkele opvallend groen.

Na een uur pauze in een dorpje om te bidden

Na twee uur werd het écht bergachtig. We slingerden naar boven en hadden uitzicht op een spectaculair diepe en brede canyon ‑wel een kilometer‑ helemaal volgebouwd met terrassen. Nu keken we van bovenaf op lagere bergtoppen met organisch daarop gegroeide stadjes. Het was hier ook duidelijk natter, er groeide meer: rijst, bana­nen, wortels, bloeiende cactussen.

Na ruim drie uur kwamen we in Ibb aan. Een flinke stad tegen twee bergpunten waarop de vesting/fort en de oude stad lagen, op 1850 meter hoogte.

We liepen omhoog naar de oude stad, op de ene berg­top. Een unieke verzameling stenen toren‑huizen die zo dicht op en kriskras door elkaar stonden, dat er een waar doolhof tussen lag. Bovendien gingen de steegjes voortdurend omhoog en omlaag. Overal sprongen groepjes kinderen vrolijk om ons heen, soms in vodden, soms mooi aangekleed, soms verlegen, soms brutaal, steeds met grote bruine ogen.

We aten beneden in een restaurant met tl‑verlichting en rijen formica tafels. Bestellen ging met handen en voeten: aanwijzen wat op een andere tafel staat; nee gebaren tegen de kip; gebaren van het dopen van brood in een sausje: zet maar wat neer. Brood, rijst, saus‑in‑een‑ovenschotel‑met‑kaas en kip voor J en S. Cola werd van elders gehaald.

Daarna een wandeling door de lange hoofdstraat met allerlei winkeltjes en ambachtszaken (o.a. de halfronde 'glas‑in‑steen' ramen, deuren), cafés waar mannen waterpijpen rookten of qat kauwden; nieuwe gebouwen in traditionele stijl.

Je zag hier zo nu en dan ongesluierde vrouwen lopen, die een Afri­kaans uiterlijk en kleurige gewaden hadden. De vrouwen leken hier zo-wie-zo wat opener dan in Sana’a, ze keken of spraken je soms aan ‑ waar dan geen antwoord op te geven was. We zagen hoe drie in het zwarte gehulde jonge-meiden liepen te giechelen; eentje jatte een aardewerk potje van een stalletje; ze zagen dat wij het gezien hadden dus nog meer gegiechel.

Zuid: Jibla en Taiz

Vanuit Ibb maakten we een excursie naar Jibla en Taiz. We namen de service-taxi naar Jibla, een klein stadje nog geen 10km van Ibb. De aanblik van beneden af, hoe het tegen de helling lag, was fantastisch. De rood-witte minaretten staken fel af bij de zandrotskleurige huizen. De grote moskee lag te pronken boven de vallei. We wandelden door wat smalle straat­jes ‑een paar kraampjes vormden de markt‑ naar de moskee en mochten de buitenplaats en een torentje bezoeken. S met sjaal over haar hoofd.

De kinderen kregen hier concurrentie van wat oudere mannen ‑ iedereen wilde wel onze gids zijn. Na de moskee nog een paar straatjes door het prachtige stadje. Er stond ook nog een half ingestort paleis van de koningin die Jibla tot hoofd­stad van Sana’a gemaakt had, en waar het zijn beroemde bouwwer­ken aan te danken had.

Taiz was zo'n 60 km verder naar het zuiden. Het was een grote stad op 1400 meter, onder een woeste 3000 meter hoge berg. We gingen op zoek naar de enige moskee van Jemen die je van binnen zou mogen bezoeken. Hij was net hele­maal opnieuw gewit. In een hoekje probeerden we gauw stiekem een slokje water te drinken, maar zelfs die kwart liter kregen we niet weg voor er alweer iemand aan­kwam.

Er kwam een man met een grote sleutel die ons graftom­bes van oude koningen liet zien. Allemaal een beetje vervallen maar de restanten van mooi houtsnijwerk en steenhouwerij waren nog goed zichtbaar. We mochten ook een kijkje nemen in de gebedsruimte, hoewel er mensen aan het bidden waren.

Daarna wandelden we terug naar beneden. We raakten steeds meer in de ban van de dorst. J bedacht dat we naar het duurste hotel van de stad konden gaan, waar je binnen waarschijnlijk wel wat mocht drinken. De wandeling ernaartoe, de andere heuvel op, was zwaar door hitte en dorst. Maar het plan slaagde. Behalve een liter eerder gekocht water ging er ook een flesje cola p.p. in. Daar knapte je weer helemaal van op.

Bij de taxistandplaats waren we dit keer zo slim om niet in de eerste de beste taxi te gaan zitten, maar in een die met ons vol was en dus meteen vertrok. Toen de zon ondergegaan was, een extra stop om snel te gaan eten en drin­ken.

Vreemd genoeg was de einddatum van de Ramadan niet van tevoren bekend. Zondagavond om twaalf uur zou bekend gemaakt worden, aan de hand van de maan, of het maandag afgelopen was. We meenden zondagavond ook al meer opgewonden/uitgelaten kinderen op straat te zien en er werden al wat rotjes afgestoken. Maar tevergeefs: maandag hoorde er dit keer ook nog bij.

Sinterklaas en Eid al Fitr

Maandagmiddag waren we terug in ons nu al vertrouwde hotel in Sana’a, waar men zei dat de bagage op het vliegveld was.

We charterden een taxi naar het vliegveld. In de openbare aankomst/vertrekhal waren de KLM en de Bagage Claim gesloten. J glipte langs de militairen tegen de stroom aankomende passagiers in, naar de hal met douane en bagagebanden. S probeerde de gang met kantoren in te komen en moest haar tas laten controleren. Dat kantoor leverde niets op en ook J was teruggestuurd naar het KLM-kantoor. Dat waar­schijnlijk woensdag pas weer open zou zijn als de volgende vlucht aankwam.

Nog maar eens terug die andere hal in ‑ J gebaarde tegen de militairen dat wij bij hem hoorden en dat het OK was. Er was een hokje met lost and found luggage, en daar zagen we S' tas liggen. Nu nog een ambtenaar vinden die hier bij hoorde. En daarna degene die de sleutel ervan had. Uiteindelijk kwam dat allemaal bij elkaar en konden we onze tassen uit de grote stapel zoeken. Hebbes.

Terug in het hotel was het een soort Sinterklaas. Het meest blij was ik met mijn slippers (op blote voeten in die gemeen­schappelijke badkamers was niet alles), scheermesjes (elektrisch scheerapparaat was nergens aansluitbaar; maar nu was er net geen water dus scheren moest uitgesteld worden) en zonnebrandcrème (hoewel de ergste schade al aangericht was).

Dinsdag, onze zesde dag in Jemen, was het dan de eerste feestdag! Eid al Fitr. Op straat was iedereen in zijn/haar netste/feestelijkste kledij, omdat de Ramadan voor­bij was. Vooral de kinderen zagen er speciaal uit in hun kleurige jurkjes en pakken met stropdasje. De mannen hadden een schoon lichtpaars gewaad aan, een colbertje en hun sjaal in driehoek over de rug hangend. Iedereen leek op weg, door de stad flanerend.

Meer

Geweren en Bedoeïenen, Jemen 1996 (2/2)

Meer midden-oosten blogs


zondag 1 mei 2022

Onrust in Thailand (1992)

Op het vliegveld van Bangkok hing een enorm vertrekbord. Het was zo’n 3x4 meter groot. Iedere vertrekkende vlucht stond op een regel, die bestond uit een aantal posities, die ieder 36 roterende flapjes hadden: alle letters en cijfers. Als de bovenste vlucht vertrokken was, ratelden alle posities om totdat de tweede vlucht er stond. Daarna ratelde die om en nam de derde vlucht de tweede positie in. En dat zo'n 20 keer. Tegen de tijd dat het klaar was, vertrok soms de bovenste vlucht alweer en begon alles opnieuw.

We brachten heel wat uren door onder dat bord. De politieke spanningen waren hoog opgelopen. Door hevige onlusten was het vliegveld afgesneden van de stad. De kerosine was bijna op. Zouden we nog weg kunnen komen?

Voorpagina van de Bangkok Post

30 jaar geleden maakte ik mijn allereerste reis naar Zuid-Oost Azië, naar Thailand. In grote lijnen was het plan via Bangkok naar het noorden te vliegen, over land langzaam af te zakken naar het zuiden, daar op een bounty-eiland te eindigen, en dan via Bangkok weer terug.

Chiang Mai

Chiang Mai was met een miljoen inwoners de tweede stad van het land en de ongekroonde hoofdstad van het noorden. De 'oude stad' (Muang) lag binnen een vierkant van ongeveer 1x1 kilometer, omgeven door de resten van stadsmuren en een gracht.

Tussen het oude centrum en de rivier liepen de grotere winkelstraten. Daar was overal het lawaai van het verkeer: een eindeloze stroom brommers,, tuk-tuk's (een soort over­dekte driewieler-brommers met twee-persoons-achter­bank, die als taxi dienst deden) en songtheaws (Japanse pickup-trucks, met twee banken dwars achterin, die als bus dienst deden).

Overal in het stille, stoffige, oude centrum en ook daarom­heen lagen tientallen tempels (Wats). Meestal achter muren gelegen, dus meteen rustiger dan de straat. Ze waren vaak wat verwaar­loosd, hadden klokvormige stupa's, puntdaken en mozaiek­versieringen, soms verguld of met resten daarvan. Ze waren soms verlaten en soms nog in gebruik, dan schuifelden daar de monniken rond met kaalgeschoren hoofd en een oranje gewaad omgeslagen. Die kwam je ook in het gewone straatbeeld geregeld tegen, ze zaten dan b.v. in de cabine van de songtheaw.

Richting rivier was de Night Bazaar, een grote markt met 1001 kraam­pjes met spul­len uit de wijde omgeving. Kleding, souvenirs, hebbedin­getjes, raritei­ten, spelletjes: eigen­lijk leek hier alles te koop. 

En overal de Thai: teruglachend als je ze toelachte, je met rust latend als jij hen met rust liet, altijd gemoedelijk en met een innerlijke rust die er soms zichtbaar uitstraalde.

Na een paar dagen was een feestdag. Het was 46 jaar geleden dat koning Bhumibhol gekroond was. De koning werd door de Thai als een halfgod vereerd, zijn daden en gedachten (weergegeven in boeken en muziek) werden breed uitgemeten, en kritiek zou onvoorstel­baar zijn. Maar het waren roeri­ge tijden in zijn koninkrijk. Iedere dag waren er op het plein bij de oostelijke stadspoort (Tha Phae) demonstraties tegen de semimilitaire regering, en ook in Bangkok was het onrus­tig, zo lazen we in de Engelstalige kranten.

Voor het avondeten werd al gauw onze favoriete bestemming­ AUM, een klein vegetarisch restaurant, gedomineerd door een foto van Sai Baba. Beneden drie kleine formica tafeltjes, boven kussens voor wie op de grond zittend wilde eten (schoenen uit). Heel eenvoudig allemaal, maar van geweldige kwaliteit en bijzonder vriendelijke mensen.

Verder kwamen we geregeld bij Daret, een groot restaurant met buiten onder de bomen alle­maal houten banken en tafels met rood-wit-geblok­te kleedjes. Het was het centrum van de rondtrekken­de back­packers, en had ook prima eten.

Op ’n zaterdagavond gingen we kijken bij een rijtje andersoortige uitgaans­gelegenheden. Aan de bar of op het halfopen terras bestelde je een biertje (Singha). Er hingen wat Thaise jongedames aan de bar. Die kwamen dan een praatje met je maken en schonken je glas bier weer vol. Dan vroegen ze om een drankje dat limonade was maar evenveel kostte als dure whisky. Het publiek bestond vooral uit iets oudere mannen en/of ze hadden nog al eens wat op en/of ze waren nogal dik en onaantrekkelijk. Het was dan ook niet raar dat de dames er een voorkeur voor hadden om een praatje met M en mij te komen maken.

Conversaties gingen in tamelijk gebroken Engels, waarbij wij uiteindelijk ook een vereenvoudigd vocabulaire en zinsbouw gingen hanteren. Wat het ook niet gemakkelijk maakte was dat de Thai geen besef van tijd in hun taal leken te kunnen leggen: nooit was het duidelijk (te maken) of iets waar je het over had in de toekomst of in het verleden was. Misschien was dat kenmerkend voor hun levenshouding: het heden is de werkelijkheid. Terug- en vooruit kijken werd niet zoveel gedaan als in het westen.

De Golden Triangle

Maandag stonden we al om zes uur op, tegelijk met de zon, voor een dagtocht naar het noordelijkste puntje van Thailand. Die streek was berucht omdat het eens het wereldcentrum van de opium­teelt was. Nu was het vooral het drie-landen-punt dat toeristen trok. Er had zich dan ook een hele rij stalletjes met eten (inclusief onze lunch) en souvenirs langs de weg gevormd, en kinderen in klederdracht lieten zich voor tien baht fotograferen.

Op de achtergrond lag magistraal breed en indrukwekkend de Mekong, een van de mach­tigste rivieren ter wereld. Modderbruin stromend. Aan de overkant de oevers van Laos, en iets verderop achter een zijtak die van Myanmar (Birma). Een tiental meters onder ons lagen kleine smalle bootjes afge­meerd. Zo nu en dan kwam er een langs met een oorverdovend geknetter van de mo­tor - ze konden behoorlijk hard.

Over een zandweg waar ons busje nog maar net doorheen kon ploegen ging het naar de volgende stop, het grensplaatsje Mae Sai. De grens werd hier gevormd door een klein, smal riviertje. Je kon de brug over, en zelfs een paar stappen voorbij de slagbomen doen, zodat we daadwerkelijk voet op Birmees grond­gebied hadden gezet, maar echt erin kon je hier als buiten­lander niet. Voor de grensbewoners was het wel mogelijk te voet over te steken, hetgeen een gestage stroom in beide richtingen opleverde. Blijkbaar werd er heel wat afge­handeld. In Mae Sai waren ook veel stalletjes en winkel­tjes, en was het een drukte van belang.

De bergen waar we langs reden, waren geografisch gezien de uitlopers van het Himalaya-gebergte.

Op de terugweg stopten we laat in de middag nog in twee 'hill­tribe villages', dorpen van bergbewoners. Dit waren etnisch andere bevolkingsgroepen, en ook de toch al beperkte economische groei van de rest van Thailand leek aan ze voorbij gegaan te zijn (behalve voor degenen die het toerisme ontdekt hadden). Het zag er wel heel armoedig uit: onverharde zandwe­gen, houten hutjes, wat schar­relende kippen, kinderen die blootsvoets en in een versleten jurkje of t-shirt om tien baht kwamen vragen.

Sukhothai

We vonden het zo leuk in Chiang Mai, met z'n ont­span­nen sfeer en de vele mogelijkheden voor uitstapjes, dat we er langer bleven han­gen dan de bedoeling was. Maar vandaag gingen we dan eindelijk over tot ons oorspronkelijke plan: een etappe naar het zuiden, 5 uur per bus naar Sukhothai.

Sukhothai was heel wat armoediger, minder toeristisch en minder aan westerse invloeden blootgesteld dan Chiang Mai. De meeste mensen die de ruïnes bezochten van deze oude Thaise hoofdstad deden dat vanuit het verderop gelegen Phitsunalok. Er hing hier ook weer een stille, verzengende hitte.

De volgende ochtend huurden we een tuk-tuk met chauffeur, die ons een paar uur rond kon rijden. Dat voerde ons door een bijzonder mooi, uitgestrekt gebied vol met ruïnes en soms gedeeltelijk gerestaureerde resten van tempels, paleizen, lelie-vijvers, beelden van buddha's en olifanten, ... Teveel om te bevatten. Een complete stad had hier ooit in volle glorie gestaan. En nu alleen nog die resten tussen de open weides, een paar mensen die er rondkeken, verder was het absoluut stil en verlaten. Tussen de stenen resten was het trouwens ook knap heet.

Terug naar 'nieuw' Sukhothai. Ons hotel had voor die nacht geen plaats. Verhuizen naar een ander? Tja, eigenlijk hadden we het hier ook wel gezien. Versneld de volgende etappe naar het zuiden? ... Of-eh...? Toch maar terug naar Chiang Mai? We keken elkaar nog eens aan, en dat laatste werd het. Op naar het busstation.

Bangkok

We waren zolang in het noorden van Thailand blijven hangen, dat we uiteindelijk het vliegtuig naar Bangkok namen. Toen was Don Muang nog het enige vliegveld van Bangkok, de international en domestic terminal lagen een kilometer van elkaar. In de aankomsthal leek het alsof je alleen dure limousi­nes de stad in kon nemen. Uiteindelijk kwamen we er achter dat er ook een stadsbus was, die stopte langs de achtbaans snelweg die voor de terminal langsliep. In het steeds drukker wordende verkeer schoot de bus niet echt op, maar na ruim een uur kwamen we uit op Siam Square, de wijk die we hadden uitgekozen om een hotel te zoeken. Niet de allergoedkoopste buurt, en een beetje tussen het centrum en de zaken- en uitgaanswijk in.

In het steegje zat een flink aanbod aan hotels. Die vooraan waren wat te duur, die in het midden te armoedig, maar de laatste achterin, Wendy's, was prima: modern en schoon en koel.

Siam Square zou altijd mijn favoriete buurt van Bangkok blijven. Met de komst van de Skytrain, waarvan het centrale overstappunt ook op Siam Square ligt, is het alleen maar aantrekkelijker geworden als uitvalsbasis.

We namen een kijkje in MBK, het grote warenhuis aan Siam Square. (Later zou nog een hele rij nog veel luxere warenhuizen langs Siam Square verschijnen.)

De voetganger-fly-overs kwamen ook in het complex uit, en dwongen je niet alleen er doorheen te lopen, maar waren ook zo verdekt opgesteld dat je er bijna zeker moest verdwalen. Het bestond uit grote, dure zaken, en lange gangen met kleine winkeltjes met alles wat je je maar voor kon stellen. We gingen eten bij de foodmarket op de bovenste verdieping van het warenhuis. Dat bestond uit een heleboel kleine eetkraampjes, waaronder een paar vegetarische met verrukkelijk eten. Vreemd dat zoiets wat je eigenlijk buiten verwacht, boven in een groot gebouw zit. Ook een mooi uitzicht over de skyline van Bang­kok.

Het was een benauwde, drukkende, hete, vieze, lawaaierige, grote stad. Zo'n tien miljoen inwoners. Brede straten met zes banen voortrazend of vastgelopen verkeer. Over­steken lukte soms niet eens, en dan moest je gebruik maken van een van de vele voetgangers­bruggen. Op hoge betonnen pijlers werd een stelsel van tol­/snelwegen aangelegd.

‘s Avonds wandelden we naar Patpong, het uitgaanscentrum. Het ging er hier allemaal heel wat minder onschuldig aan toe dan in Chiang Mai. Veel meer lawaai, reclame en mensen die je probeer­den naar binnen te lokken. Hier dat twijfelachtige ver­schijnsel van go-go-danseressen: meis­jes in badpak die in discolicht op de bar dansten.

Naar het centrum. Eerst een tempel met een massief gouden buddha-beeld. Toen een lange wandeling door China­town, met soms hele smalle straatjes helemaal volgestouwd met marktkraampjes met allerlei soorten groente en vis. Alleen zagen we nergens een restau­rant dat open was, en bij de stalletjes op straat leek het niet te lukken iets vegetarisch te krijgen. Nou ja, uit­eindelijk toch een hapje rijst.

Aan het eind van wat een doodlopende straat leek, kon je door een soort poortje en kwam je bij de halte van de rivierboot, die als een soort bus de Chao Praya afvoer. Zo zigzagden we van de ene naar de andere oever, met schitterend uitzicht op het rivierleven, boten en gebouwen langs de oever.

Van waar we uitstapten wandelden we door de wijk met de low-budget-hotelletjes, daar ook ergens een dikke pannenkoek gege­ten en wat van de speciale sfeer geproefd die in zo'n wijk hing. Khao San Road was niet voor ons.

Ook de volgende dag namen we de bus (Skytrain/BTS en metro bestonden nog niet) richting centrum. We wandelden voorbij het Democracy Monument langs een veld waar ook weer allerlei demon­straties gehouden werden. Richting koninklijk paleis, maar we mochten er niet in omdat we een korte broek aanhadden. Overigens hadden er wat hande­laren daarop ingespeeld want er tegen­over kon je lange broeken kopen. Maar wij zagen dus alleen de witte buitenmuren met kantelen.

Naar Wat Po, een groot kloostercom­plex met allerlei fraaie, deels vervallen deels gerestoreerde stupa's. En met de gigantische liggende buddha: wel vijftig meter lang, en ver­guld. Verder was er op het kloosterterrein een school in tradi­tionele Thaise massage, waar je zowel les kon nemen als een behandeling ondergaan. In een zaal lagen zo'n dertig matrassen naast elkaar. Je moest je voeten wassen en een wijde katoenen shirt en broek aandoen. Behalve hun handen, gebruikten ze ook benen en voeten om je in allerlei houdingen te wringen. Behalve je spieren werden ook je ingewanden en bloed­banen bewerkt. Van je armen en benen werd een minuutje de bloedtoevoer dichtgekne­pen...

Als je het wat beter leerde kennen, zag je door het hectische, drukke, zweterige Bangkok toch een stad met een heel eigen sfeer, charme en zelfs rust.

In de Engelstalige kranten volgden we een beetje de ontwikke­lingen. De spanning leek steeds verder op te lopen. Voor het weekend waren door de oppositie grote demonstraties aangekon­digd, die door de regering verboden waren. De toon werd grimmiger. Het leek ons tijd deze stad te verlaten.

Phuket

Met het vliegtuig naar Phuket. Een groot eiland in het zuiden van Thailand, aan de Indische (west) kant.

Phuket-stad was een echt provinciestadje, met winkeltjes en veel verkeer. Maar voor toeristen was er eigenlijk niets. Die zaten allemaal aan de verschillende stranden die het eiland had.

Zondag besloten we ook naar de kust te verhuizen. Achter de markt vertrokken de bussen naar alle hoeken van het eiland. De onze was een wat grotere maat vrachtauto, waar achterin in de lengte vier lange banken stonden, waar zo'n vijftig mensen in konden. Daarmee reden we naar Patong Beach, een van de oudere 'resorts'. Intussen werden nieuwe stranden tot ontwikkeling gebracht, die ieder op hun eigen publiek mikten (meer sjiek, meer sportief, etc.).

Patong lag in de kromming van een baai. De hoofdweg liep evenwijdig met het strand. Links en rechts liepen de beboste uitlopers van de heuvels de zee in. Aan het eind werd het strand doorstoken door een klein riviertje, en wadend kon je er nog net voorbij. Of net niet, en moesten we over de oude omhooglopende brug? Aan het strand wat palmbomen die zorgden voor wat schaduw, die meer dan welkom was hier onder de bran­dende zon aan het water. Die zon had ons nog even op het verkeerde been gezet kwa oriëntatie: we waren een tijdje de richting kwijt, tot we ons realiseerden dat we onder de kreeft-keerkring zaten, en de zon nu in het noorden stond!

Hoewel het strand er bijna uitgestorven bij lag, probeerde toch menigeen er een handeltje te drijven. Voortdurend kwamen mensen langslopen om je strandstoelen, gekoelde drank of excursies te verkopen. Je kon op het strand een traditionele massage krijgen, of sportief doen met waterskiën, waterscooters en hanggliders. Met dat laatste maakte nog iemand een akelige smak bij het neerkomen.

Intussen volgden we nauwlettend het nieuws. De demonstratie bij het Democracy Monument in Bangkok was helemaal uit de hand gelopen. Bij schietpar­tijen door het leger waren honderden doden gevallen, en de chaos was compleet. Toen we dinsdag lazen dat door de stagne­rende aan­voer de kerosine-voorraad op het vliegveld van Bang­kok nog maar voor twee dagen toereikend was, besloten we de volgende dag te vertrekken. Bellen met het KLM-kantoor in Bangkok lukte niet meer (!?).

Einde

Hoewel het vliegtuig naar Amsterdam pas na middernacht vertrok, wilden we geen risico lopen door met de laatste vlucht uit Phuket te vertrekken, dus gingen we midden op de dag, na een laatste ochtendblik op het strand, naar Phuket-airport. Daar haalden we nog net de vlucht van twee uur, zodat we al om drie uur 's middags op het vliegveld van Bang­kok waren - terwijl de KLM om half twee 's nachts pas zou vertrekken. Eerst eens informeren in het KLM-kantoor. Daar hoorden we dat de medewerkers uit veiligheidsoverwegingen al een paar dagen op het vliegveld waren gebleven, en dat intus­sen ook geen ver­keer meer mogelijk was tussen stad en vlieg­veld.

Het lange wachten kon beginnen. Eerst eens een tijdje zitten. Dan eens een wandeling door de grote, overvolle vertrekhal. Dan weer even zitten. Dan eens even naar buiten over snelweg en spoorbaan, waar in de drukkende hitte een kleine markt en wat winkeltjes waren naast het station met houten overkappingen. Dan weer even zitten. Dan eens een hapje in het cafeta­ria. Dan weer even zitten. Dan weer een tijdje languit in een stille gang op de koude vloer. Dan weer zittend op de rijen kuip­stoeltjes voor het grote vertrekbord, waar ratelend de nieuwe vluchten verschenen. 's Avonds een heleboel naar Europa die we allemaal zagen vertrek­ken omdat KLM de laatste in de rij zou zijn.

Dan, om middernacht: grote opwinding! Op de monitoren in de vertrekhal werd overgeschakeld naar een live-toespraak die de koning gaf. Alle Thai renden van achter hun balies vandaan om zich te verdringen voor het scherm. De koning, hier ver boven de partijen staand, had uiteindelijk besloten in te grijpen en de rege­rings- en oppositie-leider bij zich geroepen. Naar Thais gebruik (je hoofd moet áltijd lager zijn dan dat van de koning) knielden ze aan zijn voeten. Hij droeg ze op elkaar een hand te geven en maande hen tot ver­zoening. En daarmee leek het ergste bloed­vergieten tenmin­ste voorlopig te stoppen.

v.l.n.r. Chamlong Srimuang, Generaal Suchinda Kraprayoon, Koning Bhumibhol

Precies op dat moment moesten wij door de douane en naar de gate voor onze vlucht terug naar Amsterdam.

Ik zou in de volgende 30 jaar nog zo’n 15 keer teruggaan naar Thailand, en ook meermalen naar 6 van de buurlanden. Mijn favoriete regio was eerst het noorden, later het noordoosten, en nu het zuiden en Bangkok. Lees hier meer Thailand-blogs.

In diezelfde 30 jaar zijn er vaker onlusten en massale demonstraties geweest, en diverse coups door het leger.

 

maandag 11 april 2022

Oekraïense notities (1994)

Ruim een jaar na mijn eerste bezoek (*) ging ik nog een keer naar Kiev. Dit keer lag het accent minder op de bezienswaardigheden en meer op het sociale aspect. Ik ging op bezoek bij Lena, die we in de trein hadden leren kennen.

Dagboeknotities van toen.

De bussen en de buitenkant van de terminal waren nog even oud als vorig jaar, maar binnen in de aankomsthal werd druk gerenoveerd. Na een halfuurtje wachten ‑op een bankje in de zon, terwijl de zwerfhonden in het gras lagen en de taxi­chauffeurs een sigaret stonden te roken‑ vertrok de stadsbus naar Kiev. Langs een bosrand in diepe, warme herfstkleuren rood oranje en bruin. Door buiten­wijken met veel flats. Uit­zicht op de gouden toren van het Lavra, over de Dnjepr en langs het enorme standbeeld met het zwaard. In het centrum herkende ik al een paar gebouwen.

Huisbezoeken

Het flatgebouw waar Lena woonde was ongeveer 5 of 6 verdiepingen, met op de begane grond winkels. De ingang was aan de achterkant ‑ een soort golfplaten deur. Door een donker trappenhuis kwam je dan bij Le­na's appartement op de eerste verdie­ping. Het waren twee kamers van 2½ bij 4 meter, een halle­tje, keu­kentje, douche en toilet.
De inrichting was in dezelfde stijl als alle huizen die ik die week nog zou zien: slaapbank, groot perzisch tapijt aan de muur, wandmeubel van glimmend 'mahonie' met glazen schuif­deurtjes met boeken en servies, parketvloer met vloer­kleed erover. Veel donkerbruin hout. Ze hadden een grote TV, radio, cassettespeler, allemaal even oud.
Lena's broer en hoogzwangere schoonzus waren er nu ook, maar hadden onlangs een eigen appartement betrok­ken, dus nu woonde Lena hier 'alleen' nog met haar vader.

Het home cooked meal was beter dan alles wat we vorig jaar in twee weken gehad hadden: aardap­pelpuree, wor­tel‑knof­look‑mayonaise‑salade; gebakken ei; tomaat, radijs en groen ...; kaas en brood; koffie met ‑op pa's aanwijzing uit de kast gehaald‑ zelfgestookte borrel toe.

Er was een soort stadsverwarming, maar zonder knoppen aan de radiatoren ‑ temperatuur werd geregeld door het raam open of dicht te zetten. Het was geen betrouwbaar systeem. Bij Lena's nichtje was die week b.v. geen warm water en verwar­ming. Verder was de aanvoer van gas afhankelijk van het oplopen of afnemen van de politieke spanningen tussen Rusland en Oekraïne.

We gingen in de loop van de week geregeld op bezoek bij vriendinnen van Lena ‑ want dat is daar wat je doet: bij elkaar op bezoek in plaats van uitgaan. 

Oksa­na, een vriendin van Lena, nodigde ons uit om bij hun te komen eten. Oksana woonde met haar man, Boba, en twee kinderen in een flat die in grote lijnen net zo was ingericht als de anderen. Wel ietsje luxer.
De kinderen waren een jongen en een meisje, van zes en negen. Ze konden in het Engels zeggen: 'my name is Sacha' en 'my name is Oli'. Verder niet veel, maar toch waren ze erg onder de indruk van zo'n buitenlander.
Oksana was net 26 geworden, een dochter van 9: jong trou­wen en kinderen krijgen en scheiden was hier zeer gebrui­ke­lijk. Lena was eigenlijk al een oude vrij-gezellin aan het worden.
Ook hier weer ter mijner ere uitgebreid lekkers op tafel: paddestoelen; gevulde eieren; zoete paprika; zuurkool; to­maat; kaas en brood; aardappels en salsa-sausje.

We gingen een borrel halen en een hapje eten bij Lena's vriendin Tanja. Tanja was vooral Lena's vriendin omdat ze ook ongetrouwd en zonder kinderen was, waardoor ze wat gemeenschappelijks hadden. De borrel was zelf­gestookt, dus ex­treem sterk. Terwijl wij in de kamer zaten, bleven Tanja's ouders in de keuken. Toen haar moeder TV wilde kijken, gingen wij naar de keuken om thee te drinken met een schoteltje zelfgemaakte jam.

Onbegrijpelijk dat met al dat vette eten en die drank de mensen hier niet net zo dik werden als in Amerika. Misschien loste het vet meteen op in de alcohol? Of verstookten ze het alle­maal door de kou en al het sjouwen?
Onbegrijpelijk dat van al die familie en bij al die mensen waar we op bezoek waren, niemand was die redelijk Engels kon. Alle communicatie ging via Lena of non-verbaal: vriendelijk kijken, glimlachen, of met handen en voeten(!).

Bruiloftsfeest

Zondagmiddag gingen we naar het feest dat Lena's vriendin gaf ter ere van haar huwelijk, vorig weekend. Omdat het thuis in hun kleine flat gegeven werd, was het over een paar dagen verdeeld - de fami­lie was al eerder geweest, dit waren meer de vrienden, en dus ook meer van hun leeftijd. Verder -werd me verze­kerd- was dit een typisch Kievs bruilofstfeest.
We waren de eersten, dus ik kon ook het aankomstritueel zien. De meeste gasten hadden drie bloemen bij zich. Cadeautjes werden aangenomen maar niet uitgepakt waar je bij was. Er werden geen drankjes aangeboden. De mannen gaven elkaar een hand, vrouwen niet, die zeiden alleen gedag. Veel conversatie was er niet.

Dat veranderde toen we na een uurtje aan tafel gingen. Zo'n 16 a 18 mensen, dicht op elkaar aan een tafel vol met lekkers: toast met vis; aard­appelpuree met vlees; diverse salades; brood met kaas; vari­nikies met vleesvulling; worst.
Vodka, champagne en wijn was er. Iedere 5 a 10 minuten stond iemand op om het bruidspaar geluk toe te wensen, een toast uit te brengen, en dan leegde iedereen z'n glas. Zelf deed ik het gewoon in het Nederlands, de essentie kwam toch wel over.
De vrouwen letten er op dat ik voortdurend te eten had, de mannen dat ik voortdurend te drinken had. Drinken zonder meteen een hapje te eten kon echt niet. Die week in Kiev dronk ik meer dan in Nederland in een jaar.

Zo nu en dan ging een groepje mensen even op het portaal staan om te roken. Na een tijdje gingen mensen in de aangrenzende kamer dansen, en langzaam werd het een steeds gezelligere en rommeligere toestand.
Echt dronken werden er maar twee.
Aan tafel intussen werd doorgegeten en gedronken, gezongen en harmonika gespeeld, en zo nu en dan een nieuwe gang opgediend, waarop iedereen weer aanschoof. Om negen uur werd cake met limonade geserveerd, en rond tien uur vertrok iedereen.

Openbaar Leven 

De buitenwijken van Kiev die ik nu gezien heb, waren heel wat minder mooi dan het centrum. Eindeloze rijen flats, tot twaalf verdiepingen hoog, meestal in slechte staat. Er tussenin wel veel bomen, groen, perkjes, kinder­speelplaatsen, wandelpaden, enzovoorts.

Het autoverkeer was behoorlijk in opkomst in Kiev. Enkele moderne auto's, maar vooral oudere olie rokende modellen. Veel automobilisten meenden zich heel wat te kunnen veroorloven. Verschillende keren zag ik een auto inhalen als z'n voorligger voor een zebra of rood licht stopte. 

De bussen, trolleys en trams zaten vaak propvol. Onbegrijpelijk hoe mensen steeds toch nog konden instappen, hoe dicht op elkaar geperst je stond, en hoe je je nog net kon vasthouden aan iets of iemand, om in de boch­ten of bij het afremmen op de been te blijven. Bijna even vol zaten de metro's, die feilloos iedere 1 à 1½ minuut reden, en een eindeloze stroom van honderden, dui­zenden mensen oppikten.
Ieder 1½ minuut een trein; totale lijn een uur; drie lijnen van twee richtingen: 6x40=240 treinen zijn onderweg op enig moment. Een trein heeft 8 wagons met ieder zeker 120 mensen erin: 1000 mensen per trein. Op enig moment zit een kwart miljoen mensen in de metro. In alle bussen nog eens evenveel. Voortdurend zijn een half miljoen mensen onderweg. Het zou kunnen, op een bevolking van drie miljoen.

Bij metrostations en grotere bushaltes waren concentra­ties van kiosken - met buitenlandse sigaretten, drank en snoep - en particulieren die hun schamele waar aanboden: een paar kolen, een pot mayonaise, een bosje knoflook, bloemen. Verder had je de markt, waar een vrij groot aanbod van groente (en vlees) was, maar allemaal erg lokaal en seizoensgebonden. De winkels onderin de flatgebouwen leken een restant van het staatssysteem, voor zaken als brood, meel, boter en kaas. Maar met een erg onregelmatige aanvoer, dus ze hadden het even vaak niet als wel. Al met al betekende het, dat voor boodschappen stad en land afgesjouwd moest worden.

Om de opheffing van de Soviet-Unie had niemand in Oekraïne gevraagd. Op de korte termijn betekende de plotselinge onafhankelijkheid/verzelfstandiging veel chaos. Het waren roerige tijden waarin een kleine groep men­sen buitensporig rijk had weten te worden, en in nieuwe BMW's en Mercedessen rondreed. Maar voor de meeste mensen waren de salarissen erg achtergebleven: 5 a 10 dollar per maand. Daarmee lukte het dan je huur te betalen en te eten. Mensen die nog minder verdienden, waren soms gedwongen tot praktijken als steekpenningen aannemen.
De prijzen van lokale basisprodukten waren erg laag, die van import op ons nivo. Vervanging van gebruiks­goe­deren was sinds de perestrojka begonnen was niet meer aan de orde. Dat gold duidelijk ook voor infra­structuur. De laatste zeven jaar hadden de mensen het steeds slechter gekre­gen, zonder dat daar iets tegen­over stond. Ja, ze mochten kiezen tussen verschillende corrupte en dronken politici.

Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne hadden alledrie een president die aan de drank was, dus ik zei nog tegen Lena's vader: dat brengt ze dan misschien weer dichter bij elkaar.

Centrum en Park

De meeste bezienswaardigheden van Kiev had ik vorig jaar al gezien.

Op herhaling bij de Golden Gate, die nu wel open was. Binnen nog wat restanten uit de 10de eeuwse stadsmu­ren­, maar eromheen toch voornamelijk gerenoveerd met beton en hout. Ook wat tekeningen en modellen hoe Kiev er vroe­ger uitzag. Het mooiste waren de houten balkons die gestapeld boven elkaar lagen.
We wandelden tot onder de enorme metalen boog, die de 'eeuwi­ge vriendschap tussen Rusland en Oekraïne' symboliseerde. Uitzicht over de Dnjepr. De tegenoverliggende heuvel op, om even op een bankje te zitten onder het standbeeld van Prins Vladimir, die het christendom naar Oekraïne /Rusland gebracht had (*).

Prins Vladimir//Volodymyr en de Dnjepr
Vandaar weer naar beneden tot aan de kade, om met een heus bergkabeltreintje weer omhoog te gaan tot het nivo waar het centrum lag. In Bergen, Praag en Chiang Mai is zoiets een toeristische attractie, hier een onderdeel van het openbaar vervoer!

Met de metro naar het park dat op een eiland in de Dnjepr lag. Ook hier veel bomen en een onder­grond vol goudgele bladeren. Volop kiosken en terrasjes waar je wijn en wat te eten kon kopen. Op een klein tegelpleintje werd muziek ge­draaid en dansten oude mensen met elkaar. We draaiden ook een wals mee.
Er was een soort ronde blokhut, waar in het midden een open hout­vuur brandde, waarop je je shaslik kon grillen. Aan de 'bar' dus tomaten, olijven, augurk, brood, en voor Lena een pen rauw vlees. En een glaasje vodka natuurlijk. Alsof er buiten twee meter sneeuw lag!
Zo waren er ook knusse en gezellige plekken te vinden.

 

Meer

(*) Meer blogs van Lily over Oekraine