Posts tonen met het label reisverslag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label reisverslag. Alle posts tonen

zaterdag 15 februari 2025

Thailand Reisverslag 2025/3 Zuidelijk Thailand (Stops tussen de zuidgrens en Bangkok)

Trang Botanical Gardens

De Botanische Tuin van Trang. Een misleidende naam, want het is een stuk onaangetast oorspronkelijk regenwoud, en daar is nog maar heel weinig van over in Thailand. In het zuiden is bijna alles gekapt voor rubber- en palmolieplantages. Vijf jaar geleden was ik er diep van onder de indruk. En nu weer.

De wandeling begon met een pad door het regenwoud. Donker en koel, tussen planten met enorme bladeren, onder 40 meter hoge bomen. Varen- en palmachtigen, dikke kronkelende lianen van 1 tot 25 cm doorsnede. Geritsel en vogelgeluiden.

Dan kwam de canopy walk, vijf in hoogte variërende hangbruggen tussen ijzeren torens. Zo zag je de verschillende "lagen" van het bos, met ieder hun eigen soort begroeiing. Het gaf een idee van hoogte en de diepte, van de macht en kracht van het bos. Een beeld dat onmogelijk met je camera was vast te leggen.

Het volgende deel was over een voetpad op palen door een veen-moeras-bos. Je liep net boven het stilstaande water, waar bladeren en planten langzaam in wegzonken. Je zag de veen-vorming a.h.w. voor je ogen plaatsvinden. Helaas ging dat veel langzamer dan de veen-winning (toevallig lag ik onlangs nog een artikel dat in Nederland/Europa veen in razend tempo wordt gewonnen om potgrond/tuinaarde van te maken). De bomen en planten die er groeiden hadden speciaal wortelstelsels om in/op de zompige ondergrond te kunnen staan.

Zo nu en dan hoorde je wat ritselen, maar je zag zelden een dier. Alleen een paar hagedisjes en grote vlinders en libellen lieten zich zien.

Thale Noi (Phatthalung)

Zes jaar geleden waren we een paar uur in Thale Noi, vanuit Phatthalung. Deze keer verbleven we twee dagen in het dorp, dat grotendeels bestaat uit huizen op palen met steigers als voetpaden ertussen. Het was allemaal heel pittoresk, maar qua eten was het aanbod... mager.

Hoogtepunt was een boottocht over Thale Noi, een meer en vogelreservaat.

Met een ranke longtailboot voeren we het meer op. Dwz veel motorlawaai en een ongemakkelijke lage zit. Eerst afwisselend open water en groene vlaktes van waterplanten. We gingen dwars door de waterplanten heen, alsof je over land voer. Er waren talloze vogels: tweekleurige ooievaars, rosse reigers, kleine aalscholvers en grote blauwe waterhoenen zaten op of tussen de waterplanten.
Vervolgens voeren we een bos in. Een absoluut highlight. Het was geen moeras of mangrove, de bomen groeiden in het water, en waren op hun beurt weer begroeid met klimplanten en andere parasieten. Het was geen "donker bos" maar sprookjesachtig genoeg, zo uit het water groeiend. Hier ging de motor uit en gebruikte de bootsman de polsstok.
Daarna weer door meer open gebieden. Een kudde waterbuffels was aan het grazen in het groene veld van waterhyacinten. We lagen er even stil naast. Je hoorde ze smakken.



Surat Thani

Met de stoptrein was het 4½ uur naar Surat Thani, een lange zit op de harde houten bankjes, met een warme föhn door de open ramen.

Surat Thani is vooral bekend als overstapplaats van nachttrein en vliegtuig op de boot naar Koh Samui en Koh Phangan. De meeste toeristen blijven er maar een dag - of nog minder. Wij bleven vijf dagen.

We maakten twee boottochten door het groen aan de overkant van de brede rivier. Dit was een delta met brak water waar vooral palmbomen groeiden. Waar de palmbladeren elkaar boven het kanaal raakten, was het alsof je door een lange groene tunnel voer, met licht aan het einde. Tijdens de ochtend-vaart zagen we o.a. varanen, tijdens de avond vuurvliegjes.

Verder wandelden we rond door de tamelijk uitgestrekte stad en kwamen zo in verrassend levendige wijken. We profiteerden van de aanwezigheid van zoveel toeristen door te eten in restaurants die veel groente en veel vegetarische gerechten hadden. We dronken koffie in zowel heel eenvoudige als heel pretentieuze cafés. En we zaten in een heerlijk hotel.



Prachuap Khiri Khan

Met de sneltrein (1/dag) was het 4½ uur naar Prachuap. Redelijk comfortabele stoelen, maar je moest wel een sweater aan vanwege de a/c.

Terug op bekend terrein. Prachuap wordt door steeds meer toeristen ontdekt. Het is een rustig stadje vol met rustige ouderen uit Nederland, Frankrijk en Scandinavië. We spraken een jonge backpacker die er per ongeluk verzeild geraakt was en zich afvroeg wat ze in hemelsnaam moest doen. Geen zip-linen, geen bungie-jumpen, geen white-whater-rafting, geen nachtelijk uitgaansleven...

Kortom, ideaal voor ons. En er is best wat te zien en te doen in de omgeving. Het stadje ligt aan prachtige half ronde baai waar wat vissersboten dobberen en we in de verte dolfijnen zagen. 

Vier km ten zuiden van Prachuap Kiri Khan, in de volgende baai ligt het strand van Ao Manao. Het ligt binnen een luchtmachtbasis en is daarom gevrijwaard van projectontwikkelaars en verkopers.

Om niet in de hitte te lopen, wilden we heen met de tuk-tuk, die hier de vorm hebben van een motor met zijspan. Het duurde even voor er een langskwam die we konden aanhouden. Bij de ingang van de militaire basis moesten we ons registreren. Het terrein was groot, goed onderhouden, netjes, ruim en groen. Geen straf om hier gelegerd te zijn. We staken de landingsbaan over, reden langs de golfbaan, en toen was links het strand achter een rij naaldbomen.

Een prachtig breed strand. Vlak wit zand, blauw water, wat rotsen op de uiteinden van de baai en een rotseiland midden ervoor. Het prototype van een tropisch strand. Onder de bomen waren stalletjes en stoeltjes. Er waren wel tientallen bezoekers, maar op dit grote strand leek het toch bijna leeg. Aan de andere kant van de weg waren toiletgebouwen waar we ons konden omkleden. Het water was helder, deinend, warm. Echt een warm bad. We dobberden er een tijd in rond en werden door de deining een halve meter op en neer getild.

Toen was het alweer 5u en tijd om terug naar huis te gaan. Intussen was het net genoeg afgekoeld om rustig te kunnen lopen. Vogels, kippen, eekhoorntjes maakten gebruik van het groen en de ruimte tussen de barakken.


We gingen naar Kui Buri Nationaal Park waar we het echte safari-gevoel hadden: uren en uren staarden we over de vlakte in afwachting van olifanten.
Bij de ingang van het park waren we overgestapt op een pick-up truck met “gids”. We reden over een zandweg door een vrij droog en dus niet al te dicht bos. Mooi. We staken een paar beddingen door die half gekanaliseerd en afgedamd waren, zodat er een plas water stond. De bekende vogels: reigers en ooievaars. Na een kwartiertje, waarin we maar één andere jeep zagen, stopten we bij een uitzichtpunt - daar stonden zeker 25 jeeps en >50 mensen. Ze stonden wat ik groepjes te keuvelen op schaduwplekken. Aan de ene kant keek je over een waterplas, aan de andere kant over een kaal stuk laagvlakte.

Zo bezochten we nog twee uitkijkpunten. Het groepje werd intussen kleiner en rustiger. Het was warm en droog en stil. Aan de ene kant werd met het naderen van de schemering de kans groter dat een olifant of buffel zich nog zou laten zien, aan de andere kant tikten de minuten weg.

Maar ze lieten zich niet zien, volgens de rangers was het te warm om uit het bos te komen. Eigenlijk voelde het ook wel goed dat de natuur bepaalde wat er gebeurde.


In deze blog zijn 2024 en 2025 met elkaar verweven

Meer



zaterdag 1 februari 2025

Thailand Reisverslag 2025/2 Tien jaar Satun

 

Tien jaar Satun

Het was heerlijk en meteen helemaal vertrouwd om weer in Satun te zijn, in hetzelfde mini-resort als altijd. We komen hier nu tien jaar en het is nog geen jaar te veel. Hoewel we niet veel bijzonders deden, vlogen de dagen voorbij. Hier een kopje koffie, daar een lunch, een paar boodschappen doen, even naar het zwembad. De night market of een food festival zorgden voor de nodige gezelligheid.

Inmiddels hebben we er zoveel favoriete cafés en restaurants, dat we de hele eerste week nodig hadden om bekende gelegenheden te bezoeken.
De tweede week was het soms jongleren met afspraken met kennissen. Als we op straat een bekende tegenkwamen, maakten we een praatje. Diegene vroeg dan of we de volgende dag iets hadden? Nee, zullen we dan samen koffie drinken, of een ijsje eten, of wat dan ook. Leuk, zeiden wij, wanneer ongeveer? Dan was het antwoord: ik stuur je wel een berichtje als ik onderweg ben. Maar ja, wij wilden natuurlijk niet de hele dag zitten wachten. En als we dan op pad waren en het berichtje kwam, moesten we zeggen: nu komt het niet uit.

Intussen werd de fiets bezorgd. Die hadden we een paar dagen eerder in Bangkok bij de Decathlon besteld. Eén dag later dan gepland, dus dat viel alles mee. Er was al aangekondigd dat de bezorger zou bellen. We namen aan om te horen hoe laat er iemand thuis was. Dus ik had het Thaise zinnetje voor "je kunt ieder moment komen" al uit mijn hoofd geleerd. Maar daar waren ze niet tevreden mee. Na de nodige onbegrepen uitwisselingen hoorde ik op de achtergrond iemand in langzaam en verstaanbaar Thai vragen "waar is je huis?". Hoewel we natuurlijk een bezorgadres hadden opgegeven, moesten we dat toch een paar keer herhalen. Toen was iedereen blij. Een uur later werd de fiets bezorgd. Het uitpakken en in elkaar zetten ging gemakkelijk met de hulp van de tuinman / klusjesman van ons resort.

Bij de motor cycle repair shop hadden ze fietsmandjes. Eerst werd nog even een motor met zijspan gerepareerd terwijl de boodschappen en een kind er nog in zaten. Een oudere man kon het mandje er op zetten, wat nog met de nodige schroeven en bouten gepaard ging. Hij deed ze netjes steeds iets vaster, dan weer stellen, dan weer ietsje vaster, dan alles helemaal vastdraaien. Nog even de banden wat harder oppompen. Nog even de remkabels checken. Klaar. Ondanks de montage service werd de rekening naar beneden afgerond.

Na tien jaar kan ik er nog steeds gelukkig van worden: de mensen in Satun lijken oprecht blij om bezoekers aan hun stad te zien. We worden gegroet, toegelachen, geholpen waar nodig, en al onze culturele onhandigheden en verkeerd uitgesproken Thaise zinnetjes worden vergeven. Sterker nog, mijn falende pogingen om iets in het Thai te zeggen worden met groot enthousiasme ontvangen. Als ze niet helpen in de communicatie, dan toch wel in het contact maken.

Contact onderhouden doe je hier door eten te geven. Van iedereen die we wat beter kennen krijgen we voortdurend eten toegestopt. Van een toetje in het lunchrestaurant tot snoepjes van de receptioniste, van vruchten-ijsjes van de eigenaresse tot fruit uit Patthalung van haar vriendin.

 

Ter ere van children's day was er een evenement op het plein voor het museum. Er trad een dansgroep op in traditionele kostuums - al vraag ik me af of de hoofddoek onder het kroontje traditioneel is. Eerst een klassiek nummer en dan een bewerking van een pop liedje, dat met luid gejuich werd ontvangen. Dan een groepje hele kleine kinderen die een dansje deden. Het publiek zat deels op rijen plastic stoelen voor het podium, en deels picknickend op de grond daaromheen. Ik vond een stoel om op te zitten bij een stalletje dat door twee meisjes van 13 gerund werd. Ze gingen enthousiast met de vertaal app in de weer om met ons te kunnen praten. Zo druk dat ze vergaten de klanten van hun stalletje te bedienen. Ze wezen er op dat het museum vanavond gratis toegankelijk was. Gingen we toch ook maar even kijken. Ook daar veel mensen en veel foto momenten.

 

Het blijft koel voor de tijd van het jaar, vaak is het onder de 30 graden. Sommige dagen zijn mooi en zonnig, andere bewolkt. We hebben zelfs een paar flinke regenbuien gehad. De paraplu die we kochten als parasol, gebruiken we vaker tegen de regen.

We zijn gewend dat in de schemering, zowel ochtend als avond, de vogels, insecten en reptielen een kakofonie van geluiden voortbrengen. Maar met dit weer is het nog veel meer. Als het koeler is zijn de vogels overdag actiever. Als er een donkere wolk overdrijft denken de dieren dat de schemering komt. En na een regenbui slaan de krekels op dubbele kracht aan. Zelfs midden in de nacht.

Per saldo is dit wisselvallige weer wel beter uit te houden dan de schroeiende hitte van vorig jaar.


Intussen brak in Bangkok de jaarlijkse paniek uit toen de altijd aanwezige luchtvervuiling heftiger en zichtbaarder werd, omdat het seizoen aanbrak dat akkers afgebrand worden. De regering beloofde allerlei twijfelachtige maatregelen. Tot de wind draaide en het probleem naar volgend jaar doorgeschoven kon worden.

 

Ik had al een keer een middelgrote varaan onder onze heg zien verdwijnen. Ik zag 'm maar half, en die helft was een halve meter lang. De volgende dag zag Evelyn 'm ook. Maar waar was-ie nou zo snel gebleven? Evelyn keek nog eens goed en zag dat er een holletje ónder ons huisje was, waar nog net een stukje staart uit stak. We hadden benedenburen! We dachten dat al dat geritsel en getrippel van vogels en eekhoorns kwam, maar er was nog een mogelijkheid...

De volgende dag zagen we 'm zitten op het grasveldje voor ons huisje. Stokstijf, alsof-ie was opgezet, met zijn kop aandachtig in de lucht. Waarschijnlijk had hij mij een seconde eerder gezien dan ik hem, en dacht hij, als ik niet beweeg zien ze me niet. Hij was zeker 1m lang, maar meer dan de helft daarvan was staart. Een prachtig dier dat uit een ander tijdperk leek geteletransporteerd. We adopteerden hem onmiddellijk als ons huisdier. Waarschijnlijk is het een clouded monitor, een alles-eter.

 


Eerder schreef ik dat mijn pogingen wat Thais te praten goed ontvangen worden. Maar sommige interacties gaan ook prima zonder woorden. We waren in een 7-eleven buurtwinkel voor yoghurt en drankjes. De kassière vroeg, zonder een woord te zeggen, maar met een expressieve vragende blik, of we een lepeltje bij de yoghurt wilden, door een lepeltje omhoog te houden en haar grote donkerbruine ogen nog iets verder open te sperren. Idem met een plastic tasje, zich bewust van haar beste feature: die ogen. Toen werd de magie doorbroken met een luide schreeuw – E had per ongeluk de sojamelk in haar tas gedaan voordat die was afgerekend. De kassière schrok er zelf nog het meeste van.

Satun Geopark

We maakten één "grote" excursie, naar Mu Ko Phetra National Park, onderdeel van "Satun Geopark". (Daartoe horen onder andere grotten, en karstgebergten die als eilanden loodrecht uit zee en uit het vlakke land oprijzen. Maar dat is een ander verhaal.)

Om te beginnen reden we via een landelijke achteraf-route. Hier nog enorme plantages van rubberbomen, die vroeger héél zuid Thailand bedekten. Nog vroeger was het allemaal tropisch regenwoud en op deze vlakke stukken laaglandbossen.

Eerst reden we naar het strand van Pakbara, een klein plaatsje dat bekend is omdat er boten naar veel van de populaire Thaise eilanden vertrekken. Het strand is een smalle strip met visrestaurants er langs. Want we begonnen de dag met een flinke lunch. Een paar goed doorvoede katten liepen wat te bedelen bij de tafels, eentje liep zelfs het strand op om te bedelen bij een visser, die tot zijn schouders in zee staand een net uitwierp en kleine kreeftjes ving. Het was de zonnigste dag tot nu toe in Satun, wat maakte dat strand, zee en de rotsige eilanden in de verte op hun best uitkwamen.

Daarna reden we naar de ingang van het NP, een berg/rots die als een schiereiland in zee uitstak. Er was een haven met vissersbootjes, en onder de schaduw van de bomen lagen de NP gebouwen. Een paar agenten van de toeristenpolitie maakten een praatje met ons. Er was een wandelpad gebouwd om de rots heen, op pijlers in zee. Zo had je een origineel perspectief op de kustlijn, die hier verticaal omhoog ging. Op waterniveau uitgesleten grotten, wat hoger dichte begroeiing.



Door verschuivingen in de aardkorst bestond de berg uit gesteente van verschillende geologische tijdperken. Op één punt zag je overgang heel duidelijk: je stapte van het witte Ordovician in het rode Cambrian tijdperk (respectievelijk 450 en 500 miljoen jaar oud). Na 1½ km was de steiger afgelopen en kon je nog een stuk over een weg op het schiereiland lopen. Hier en daar een klein strandje onder je, een eenzame boom die in zee stond, een overhangende palm, het was allemaal even mooi.

Als laatste reden we nog een stukje om om een Batik werkplaats / winkel te bekijken. Hier zag je nog eens goed dat dit deel van Thailand oorspronkelijk Maleis was. Binnen hingen kleding en tasjes en hoedjes en grote zijden lappen stof, sommige met populaire opdrukken, andere met klassieke natuurlijke kleurstoffen bewerkt. Buiten waren een oude man en een jonge vrouw textiel aan het bewerken met was en verf (?).


Meer

donderdag 2 januari 2025

Thailand Reisverslag 2025/1 Nieuwe plekken in Bangkok

 

Aankomst

We kwamen op Nieuwjaarsdag aan in Bangkok. Nog een beetje gaar van het tijdverschil en de doorwaakte nacht liepen we rond. Vanwege Nieuwjaar waren veel winkels en restaurants dicht, en de straten waren rustig ipv vol met het gebruikelijke chaotische verkeer. Veel Thai gaan met de feestdagen de stad uit, naar het dorp of stad waar hun familie woont. Omdat er minder Thai waren, leken er in verhouding nóg meer toeristen. Zelfs op plekken waar die tien jaar geleden nauwelijks kwamen. Zodoende gaan wij steeds weer op zoek naar nieuwe "onbekende" plekjes.

Ochtend in Pratunam

De volgende ochtend, onze eerste ochtend, was een bijna perfecte ochtend in Bangkok.
We wandelden naar mijn stamcafé, Wang Mai Café, op het voorplein van het National Stadion. De baristo had een feestelijke zonnebril op met geïntegreerd hertengewei en kerstballen. Hij wist nog wat ik wilde drinken. Met een americano en een cappuccino nestelden we ons op de schommelbank. En net als eerdere keren was dit de plaats en de tijd dat een totaal gelukzalig gevoel me overspoelde, het geluk hier te mogen zijn. Ondanks het verkeerslawaai op de achtergrond, had dit plekje iets sereens.

Met een kleine omweg wandelden we naar het Saen Saep kanaal. Een smal voetpad tegenover het paleis van de prinses liep langs de achterkant van huizenblokken. Anders dan ter hoogte van ons hotel waren deze huizen niet op het voetpad georiënteerd, dus het was er vrijwel uitgestorven. Iets verderop staken we de woonwijk in, Pratunam. Een mengelmoes van houten huisjes en villa's in een groene tuin tussen nieuwere betonnen huizen. Een mevrouw die in haar deuropening zat groette ons vriendelijk. Hier een Chinees opschrift, daar een Thais tempeltje. Dat alles letterlijk in de schaduw van de moderne wolkenkrabbers van Phayathai.

Zigzaggend kwamen we uit bij de spoorlijn naar oost-Thailand, de oude lijn onder de hoge betonnen pilaren van de trein naar het vliegveld. Over wiebelende betonnen platen kon je er langs lopen - en motorrijden, wat ook veel gedaan werd. Plantenbakken stonden tot dicht op het spoor, en waar er ruimte was zelfs tussen de twee spoorlijnen in. Eenvoudige huisjes hadden hun voordeur aan dat pad. Soms was er een winkeltje, en ook een cafeetje, Jack's Rails Slow Bar. Daar gingen we zitten voor nog een drankje. Het was een prachtig plekje. Behalve de motor-taxis was er geen verkeer, alle voorbijgangers waren even vriendelijk, Jack bereidde de koffie en thee met volle aandacht. Toen er een trein langskwam, realiseerde je je pas hoe dicht je op het spoor zat, en hoe groot een trein is. Gelukkig reed die niet erg hard.

Vlak naast dit verborgen plekje bleek een wijk te zijn die zich had ontwikkeld tot een heus Little India. Een aaneenschakeling van Indiase winkels en restaurants met alle mogelijke typisch Indiase artikelen en gerechten en clientèle. Je vroeg je af waar ze allemaal vandaan kwamen. Deels Indiase toeristen, maar gezien de aard van de winkels moesten hier ook wel veel Indiërs wonen. We gingen lunchen in een veg restaurant waar je een heuse Gujarati thali hadden. OK, het was niet zo subliem als je ze in Gujarat krijgt, maar een aantal gerechten hadden wel een bijzondere twist.

Terug naar huis namen we een stukje de kanaalboot. Een populaire vorm van OV , grote boten met honderden passagiers die door het kanaal stoven. Bij de haltes wordt niet echt aangelegd, de boot wordt alleen kortstondig met een touw tegen een drijvende steiger getrokken.

Terug

Aan het eind van onze reis kwamen we terug in Bangkok. Na 5 weken weg geweest te zijn voelde het ongelooflijk kosmopolitisch. Een groot verschil met de provinciesteden die we aangedaan hebben. De heerlijke verscheidenheid aan mensen, aan culturen, aan leeftijden, aan kleding, aan uiterlijk. Iedere keer als we voet buiten de deur zetten, was er weer wat verrassends te zien.

Zoals een populaire popgroep die op straat staat te spelen met een drom mensen eromheen.

Zoals een futsal toernooi compleet met officiële scheidsrechters.

Zoals de duizenden studenten die kwamen kijken naar de 75ste jaarlijkse voetbalwedstrijd tussen hun universiteiten. Speciale shirts, bonte uitdossingen, cheerleaders, eetstalletjes, een reclame-dorp - het ontbrak nergens aan.

Zoals een competitie, met jury en punten, waar een kruising tussen een dans en een geensceneerde Muay Thai boxwedstrijd werd opgevoerd.

 

Meer

vrijdag 15 maart 2024

Thailand Reisverslag 2024/1 De groene kant van Bangkok

Bangkok is een heerlijke stad, levendig en afwisselend. Ik kom er graag en vaak. Midden tussen de chaos en drukte vind je de echte hidden gems, de mooiste plekjes, de aardigste mensen, de verrassendste straatjes, de best verzorgde poezen. Maar soms wil je even ontsnappen aan de drukte, het lawaai, de warmte en de viezigheid.

Ik beschrijf hier drie uitstapjes in Bangkok waarvan twee in het groen en een op het water.

Wandeling door Bang Krachou, Samut Prakan

Vandaag maakten we een excursie naar de "groene long" van Bangkok, een groot gebied ingesloten door een lus in de rivier. Eerst namen we de bus (47 vanaf National Stadium), een heel oud barrel, door de gaten in de houten vloer zag je de weg. Tegelijk hadden we een scherm dat de haltes aangaf. Het verkeer reed redelijk door, behalve een keer waar we rechtsaf moesten slaan en de rijbaan die we over moesten steken maar niet vrijkwam omdat ook daar het verkeer stokte. Een andere bus forceerde een doorbraak. Na 40 minuten waren we bij het eindpunt.


Eerst een kopje koffie bij Amazon. De twee (!) dames achter de toonbank begeleiden ons naar de toiletten, die een beetje verstopt lagen in een lege markt ernaast. We sloegen proviand in bij een van de twee 7-Eleven's die aan weerszijden van het Amazon Café lagen. Dan een korte wandeling naar de pier. De Chao Phraya was hier al een stuk breder. Links zag je de haven en zeeschepen liggen. Met een klein bootje werden we overgezet.

Eerst was er nog een stuk vol huurfietsen en geparkeerde motoren, maar al snel liepen we door het groen, tussen kleine huisjes en akkers. Het voetpad dat we een paar km volgden, was een verhoogde betonnen loopbrug. Prachtig. Je hoorde allerlei vogels zingen in de bomen en dieren ritselen in de bladeren, maar je zag ze meestal niet.


Na een dik uur kwamen we bij de botanische tuin, een aangelegd park. We wandelden door het achterste deel waar geprobeerd werd de drie soorten oorspronkelijk bos terug te laten groeien, waaronder appel-mangrove, gekenmerkt door de kleine luchtwortels die uit de grond schieten. Het was groen en luchtig en rustig, en daarom was de hitte goed uit te houden. Aan de rand van het park was een doorgang gemaakt naar een klein cafeetje net buiten het park. Daar konden we een welkom koel drankje nemen.

Al met al zeker 2½ u gelopen voor we terug waren bij de jetty. Met de busreis erbij was het een dag-vullende excursie.

Phi Suea Samut Fort, Paknam, Samut Prakan

Nog een keer een flinke excursie. Het begon met 40 minuten in een koude BTS naar Pak Nam. Het werd al snel minder druk, terwijl je op de perrons aan de overkant, de stad in, wel veel mensen stonden.

Vanaf Paknam BTS wandelden we de stad in. Het voelde meteen anders: de lucht was helderder, minder benzinedampen en meer zeelucht. En het voelde wat minder mondain en wat meer provinciaal. We stopten bij Inthanin, een coffeeshop voor een prima kopje koffie.
De coffeeshop had geen toilet. Maar wijs geworden door eerdere ervaringen begreep ik het meisje toen ze gebaarde: naar buiten, naar links, naar links. Daar was inderdaad een smal gangetje. En achterin was een draaihek waar je 5 baht in kon gooien. Daarachter waren toiletten.

We wandelden door naar de markt, door de markt, aan de achterkant was een pier. Een middenmaat houten boot kwam al snel aanvaren. Het was een hele drukte de rivier over. Tussen grote vrachtschepen en marineschepen door staken we over en legden aan ácher Phi Suea Samut eiland.

We waren vlak bij de monding van de Chao Phraya in zee, dus dit was brak en getijde gevoelig. In de modder onder de loopbrug van de ponton naar de wal, was een mudskipper festijn gaande. Zulke grote hadden we nog nooit gezien, tot wel 20cm lang. Die zagen er eng uit. Meestal zaten ze stil, maar soms kropen ze met hun vinnen over de modder of zwommen ze weg. Kleinere, van zo'n 10 cm, hadden mooie groene kleuren en een rugvin die ze soms opzetten. Dan kwam er soms nog een krab uit een gat in de modder gekropen, met een angstaanjagend grote schaar.


We liepen door een iets kleinere markt naar de straat. Rechtsaf, langs een rijtje winkels waarvan de meeste gesloten waren, richting de tempel. Door een vreemd soort half vervallen gebouw kon je de trap op naar de hangbrug over de zijarm van de rivier die langs deze kant van het eiland liep. Dat kleine eiland was grotendeels een natuurreservaat met mangrove, slangen, vleermuizen en grote witte vogels. Via een betonnen pad op palen kon je naar de zuidpunt waar een fort lag. Om de riviermonding te bewaken. Er waren ruimtes voor manschappen, munitie, kanonnen en periscopen. Er was een standbeeld voor een admiraal en een tentoonstelling met posters over een incident met de Fransen.


Tot dan toe was het een redelijk koele ochtend geweest, maar de wandeling terug was toch wel warm. Terug aan de Paknam kant liepen we naar het OK restaurant, dat via social media een beetje aan de weg timmerde. Het was ook leuk ingericht en de eigenaar was een enthousiaste man. Hoewel ze ook veg opties aanprezen, hielden die niet over.

We liepen naar de grote uitkijktoren. Die paste in de traditie dat hier werd uitgekeken naar schepen die over zee aankwamen. Hoewel het vandaag niet helder was, had je toch een prachtig uitzicht helemaal van de rivier tot de zee. De eerste kilometers waren goed te zien, de hoogbouw van downtown Bangkok was te vaag.

Er was een elevated walkway van de toren naar het BTS station. Maar de juiste verdieping en deur vinden in de toren viel niet mee. En toen bleek de walkway gesloten. Waarom was niet duidelijk. Dus liepen we toch langs drukke wegen naar de BTS.

Ook dit was bijna een dag-vullende excursie.

Drie-boten-tocht

Net als Amsterdam is Bangkok een stad met veel kanalen. Ik had een rondje door de stad bedacht waarbij je drie verschillende boten neemt. We begonnen bij de Hua Chang pier, net ten zuiden van Rachathewi BTS, maar je kunt ook opstappen aan het noordeinde van diverse Sukhumvit sois: bv 3 15, 21, of zelfs helemaal bij de Bang Kapi pier waar de Yellow Line komt.


Door het Saen Saep kanaal varen grote boten met hoge snelheid, wilde golfslag en blauwe rookwolken achterlatend. Ze zijn erg populair voor woon-werk-verkeer. Bij de pieren worden ze niet echt vastgelegd maar met een touw even tegen de steiger getrokken. Snel in- en uitstappen en weer weg. Kleine huisjes zijn tot dicht langs het kanaal gebouwd, je keek er zo naar binnen.

We stapten uit bij de Bo Bae pier, die midden in een kleding markt ligt. Net als bij de metro, skytrain, monorail en trein zijn overstappunten niet erg gecoördineerd. Het was dus een flinke wandeling naar de volgende steiger: Yek Lan Luang aan Krung Kasem road. Deze boot vaart niet zo vaak: in het weekeinde een keer per uur, en door de week alleen in de ochtend- en avondspits. Een kleine elektrische boot kwam langzaam aanvaren, met maar een handjevol passagiers. Kalm voeren we het Krung Kasem kanaal af. Dit was breder, de oevers waren mooier, er lagen drukke wegen langs.


Bij het eindpunt moesten we weer een stuk lopen, langs sluizen en een pompstation, waar het kanaal uitkomt op de Chao Praya rivier. Hier is de Thewes pier. Hier leggen de boten aan, door ahw achteruit tegen de drijvende steiger te varen. Over de rivier varen tientallen grote boten die een belangrijke OV functie hebben. Er waren ook volop andere boten, toeristenboten, ferry’s, vrachtschepen - dus het was een hele drukte, een heel gemanoeuvreer voor de kapitein, en soms wild schommelen in de golven. We voeren een half uurtje mee. We kwamen langs allerlei bezienswaardigheden zoals het koninklijk paleis en Wat Arun. Daar kun je uitstappen, of nog even blijven zitten. Vanaf de Marine Department pier kun je door het zuidelijke stuk van China Town wandelen. Of vanaf Sathorn pier kun je BTS terug naar het centrum nemen.

Meer

woensdag 17 mei 2023

In de voetsporen van een controversieel Indiaas duo

Twee krijgsheren dringen zich op

Een man ligt languit op zijn rug. Een enorme tijger staat bovenop hem en zet zijn tanden in de man z’n nek. De man stoot angstige kreten uit en beweegt zijn arm op en neer. Gelukkig zijn man en tijger van hout. Het extra effect ontstaat door aan de hendel te draaien die uit de rug van de tijger steekt. 

Een opmerkelijk stuk speelgoed, nu een bezienswaardigheid in de V&A, Londen (1)

Dit opmerkelijke object – nu te zien in Londen - komt uit India en werd eind achttiende eeuw gemaakt. De opdrachtgever ervan werd de rode draad van onze recente reis in India. Hoe dat ging en waarom beeld en opdrachtgever perfect bij elkaar passen, lees je hieronder.

Ons plan was om de Malabar kust van zuid-west India af te zakken en Europese forten en oude moskeeën te bezoeken. Beide zijn goed vertegenwoordigd in de regio, door de lange geschiedenis van handelscontacten met Europa en de Arabische wereld.

De eerste moskee stond in de stad waar we het land binnen kwamen: Mangalore. Een grote havenstad, niet te verwarren met het veel bekendere en nog veel grotere Bangalore. De oudste wijk van Mangalore, Bunder, is tegenwoordig een wat viezige buurt met vuilnis op straat en armoedige winkeltjes. Verstopt in een smalle steeg is daar één van de oudste moskeeen van India te vinden. De moskee is gesticht kort na het overlijden van Mohammed door een beroemde moslimgeleerde, Malik ibn Dinar. Maar wat je nu ziet, stamt uit de tweede helft van de achttiende eeuw. Toen vond een grote renovatie plaats onder de opdrachtgever van het manetende tijgerbeeld: Tipu Sultan. De man die de rode draad van onze reis zou blijken. Of eigenlijk twee mannen, want je kunt Tipu niet los zien van zijn vader Haider Ali.

Onder Indiërs zijn deze twee krijgsheren wereldberoemd omdat ze in hun positie als koning van Mysore een aantal keren de Britten wisten te verslaan in de periode waarin de East India Company bezig was haar macht in India te vestigen. Voor ons voelden ze ook al een beetje als oude bekenden. In 2014 waren we in Mysore, en bezochten we van daaruit Srirangapatnam, ooit de thuisbasis van Haider en Tipu en de plek waar Tipu uiteindelijk in 1799 z’n allerlaatste slag met de Engelsen met de dood moest bekopen.

In Mangalore zijn we honderden kilometers van Mysore verwijderd, maar terwijl we langzaam de kust van Kerala afzakken en tenslotte landinwaarts reizen, kruisen Haider en Tipu steeds ons pad. Van oude bekenden veranderen ze in reisgenoten.

Onze reis geprojecteerd op "Southern India in the age of Tipu Sultan" (M1)
Onze reis geprojecteerd op "Southern India in the age of Tipu Sultan" (M1)

Een intrigerend duo

Wat is er nou zo fascinerend aan Tipu en z’n vader, behalve dat ze ons achtervolgen? Het spreekt tot de verbeelding dat z’n vader en hij de Britten serieus militaire tegenstand bieden. De dappere Indiërs die zich als underdog verzetten tegen Europese indringers.

Maar misschien nog wel interessanter is dat ze zichzelf hebben opgewerkt tot machthebbers. Haider Ali was een gewone legercommandant in dienst van de raja (koning) van Mysore die zich dusdanig onderscheidde dat hij steeds belangrijker posities kreeg toebedeeld. Uiteindelijk heeft hij de macht over het koninkrijk volledig in handen. In 1761 vindt Haider het niet meer nodig om de schijn op te houden: hij neemt de raja gevangen en benoemt zichzelf tot sultan. Na Haider’s overlijden in 1782, neemt Tipu die titel over.

Wat je ook vindt van een dergelijke staatsgreep, zowel Haider als Tipu zijn bijzonder capabele mannen. Onder hun bewind wordt het koninkrijk Mysore groter dan het ooit was. Op het hoogtepunt beslaat het bijna het hele zuidwesten van India. Beiden zijn innovatief en denken na over wat ze doen. Ze werken samen met de Fransen om zich nieuwe militaire technieken eigen te maken, en Tipu maakt  belangrijke economische en technische innovaties.

Verder zijn Haider en Tipu zich ervan bewust dat ze de steun van de bevolking nodig hebben voor een stabiel en welvarend rijk. Het veroveren van ‘hearts and minds’ was in de 18e eeuw ook al een punt van aandacht. En in het geval van deze twee heersers in het bijzonder, omdat ze moslims zijn temidden van een hindoe-meerderheid en de opvolgers van hindoekoningen. Tipu doet grote donaties aan hindoetempels en legt de hindoes in Mysore geen strobreed in de weg bij het uitoefenen van hun religie. Maar voor krijgsgevangenen en tegenstanders hanteert hij andere normen. Grote groepen gevangen hindoes en christenen ondergaan gedwongen bekeringen tot de islam, inclusief besnijdenis.

Tipu’s bijnaam is de 'Tijger van Mysore'. Hij is zijn tijd ver vooruit in hoe hij dat imago cultiveert. Het beeldmerk van de tijger komt werkelijk overal terug. Zijn troon werd gedragen door een beeltenis van een tijger, tijgerstrepen versierden de muren van gebouwen en hij had zelfs kanonnen met een tijgerkop. En natuurlijk het bewegende beeld van man-en-tijger waar dit stuk mee begon. Dit object is Tipu ten voeten uit. De aangevallen man draagt een hoed en was daarmee in zijn tijd onmiddellijk herkenbaar als Europeaan. Wie de tijger is, is ook wel duidelijk. Het is een staaltje techniek uit Europa, zeer waarschijnlijk gemaakt door een Fransman.

Tipu op zijn troon met tijger en tijgerkoppen (2)

 
Kanon met tijgerkop (3).

Kortom, een vader-zoon duo dat vanuit het niets een koninkrijk overnam, en vele malen groter en welvarender maakte. Dat zichzelf eeuwige roem bezorgde door de Britten een aantal keren te verslaan, maar door hun onverzettelijkheid en wreedheid ook veel vijanden maakte. Onze reis voerde ons langs allerlei aspecten van hun leven.

Langs de kust

Het begon allemaal in Mangalore waar we de prachtige door Tipu gerenoveerde moskee bezochten, genoemd naar zijn dochter Zeenath Baksh. Mangalore kwam voor het eerst in handen van Mysore in 1763. Een paar jaar later begonnen de gevechten tussen Mysore en de Britten, en wisselde Mangalore een paar keer van handen. Maar het belangrijkste moment is wel in 1784, aan het eind van wat de tweede Anglo-Mysore oorlog is gaan heten. Officieel is deze oorlog geeindigd zonder duidelijke overwinnaar. In het Verdrag van Mangalore wordt vastgelegd dat de Britten en Tipu elkaar de gebieden teruggeven die ze hebben buitgemaakt, en dat is dat. Maar Tipu heeft in die oorlog Mangalore op de Britten heroverd, en dat mag hij houden. En dat niet alleen, hij laat de Britten helemaal uit Madras aan de oostkust naar de westkust komen om het verdrag te tekenen en zo positioneert hij zich toch als de bovenliggende partij.

Zeenath Baksh Juma Masjid, Mangalore (*)

Vanuit Mangalore nemen we de trein die langs de kust naar het zuiden rijdt. We bezoeken twee forten en ontdekken dat die allebei in handen van Haider en Tipu zijn geweest. Chandragiri fort, op 50 kilometer van Mangalore, ligt geheel verlaten op een verhoging in het landschap in een bocht van de brede rivier die daar in zee uitmondt. Je hebt er fantastisch uitzicht en het fort is nog in goede staat. 

Verlaten Chandragiri fort en uitzicht (*)

Nog iets zuidelijker ligt Bekal Fort, dat juist drukbezocht wordt en beroemd is geworden omdat er een Bollywood hit is opgenomen uit de film 'Bombay'(4). Bekal Fort is nóg groter en is deels op rotsen gebouwd die in zee uitsteken. Beide forten zijn gebouwd door een hindoekoning, Shivappa Nayaka, in 1650. In 1863 verslaat Haider Ali de Nayaka’s en zo komen de forten in handen van Mysore.Tipu maakt er later dankbaar gebruik van tijdens zijn veldtochten in de regio.

Bezoekers bij de ingang van Bekal Fort (*)

We blijven per trein de kustlijn volgen en stappen 80 km verderop uit in Kannur, of Cannanore zoals het in de koloniale tijd bekend staat. Nu een lelijke, chaotische provinciestad, ooit een belangrijke handelspost. Net buiten het centrum van de moderne stad, ligt het fort dat die handel ooit moest beschermen. Het steekt uit in zee, en heeft puntige bastions met namen als ‘de punt Zeelandia’. Hier zijn we bij het oorspronkelijke thema van onze reis: Europese invloeden.

In Kannur treffen we geen fysieke sporen van onze sultans, maar toch een interessante link met hen. Het piepkleine rijkje werd namelijk bestuurd door een dynastie van islamitische raja’s. In 1789 laat Tipu zijn zevenjarige zoon trouwen met een dochter van de raja. Maar de connectie tussen de sultans en de moslim raja dateert al van veel eerder. Cannanore moest voortdurend opboksen tegen zijn grotere en machtigere buurstad Calicut. In 1766 verzocht de raja Haider Ali om hem te helpen in dat conflict. Calicut was verreweg de belangrijkste havenstad in de regio, en dus een mooie prooi. Het is ook onze volgende bestemming. 

Tegenwoordig heet Calicut Kozhikode en is het nog steeds de grootste en belangrijkste stad in de regio, waar sfeervolle oude markten en hypermoderne overdekte winkelcentra naast elkaar bestaan. Haider Ali heeft zijn stempel op deze stad gedrukt door iets wat er juist niet (meer) is. Namelijk een koninklijk paleis.

Uitstalling van verschillende soorten peulvruchten op groothandelsmarkt in Kozhikode (*)

De opeenvolgende heersers (Zamorins) van Calicut hadden in de middeleeuwen al uitstekende handelscontacten opgebouwd met arabische handelaren, waardoor het rijk tot grote bloei kwam. Voor Haider Ali was het een aantrekkelijke buit. In 1766 veroverde hij Calicut. De Zamorin wilde zich onder geen beding overgeven, en stak z’n eigen paleis in brand waarbij hij zelf omkwam. Het enige wat er nu nog van over is, is de ‘tank’: een grote rechthoekige vijver, gevoed door een bron, ooit aangelegd door een van de Zamorins.

In het archeologisch museum van Kozhikode treffen we ook nog wat munten met de beeltenis van Tipu. Een mooie reminder dat onder Tipu de economie en handel enorm tot bloei kwamen.

Landinwaarts

In Kozhikode besluiten we om onze reisplannen aan te passen. In plaats van de kust verder naar het zuiden te volgen, zoals oorspronkelijk bedacht, steken we hier vandaan door naar het binnenland. In de richting van onze vrienden op het platteland van Tamil Nadu. De reis voert door ‘Palghat gap’, een gat in de bergen die de kust van het binnenland scheiden. Hier moet je langs als je van of naar de kust wilt en dat is altijd al zo geweest. In de ‘gap’ ligt het stadje Palakkad (de nieuwe spelling van Palghat). Een logische stopover op de route naar Tamil Nadu. En er is een fort. Van Haider en Tipu. Natuurlijk, zou ik bijna zeggen.

We gaan terug in de tijd, naar 1757. Mangalore, Calicut en al die andere plaatsen waar we geweest zijn, zijn nog niet in handen van Mysore maar deel van zelfstandige rijken. Haider Ali is al een belangrijke kracht in het koninkrijk van Mysore, maar heeft zichzelf nog niet tot sultan uitgeroepen. Toch is zijn reputatie al dusdanig, dat de Palghat Raja de hulp van Haider Ali inroept om zich te verdedigen tegen de agressie van de Zamorin van Calicut. Blijkbaar hoort de raja liever bij het rijk van Mysore dan bij de Zamorin. En zo komt Palghat Fort eenvoudig in handen van Haider.

Eén van de negen bastions van Palghat Fort (*).

In 1766 krijgt het fort zijn huidige vorm. Het is bijzonder indrukwekkend, met hoge dikke muren, negen uitstekende ronde bastions, en een brede slotgracht die het geheel omsluit. Dat was ook wel nodig, want zoals gezegd ligt het op een strategisch bijzonder belangrijke plek, en er wordt dan ook een aantal keren om gevochten. Het valt een paar keer in handen van de Britten, maar wordt steeds weer heroverd dan wel teruggegeven. Tot de Britten het in 1790 definitief innemen. Helaas voor Tipu gebruiken zij het als uitvalsbasis voor een aanval op zijn eigen thuisbasis Srirangapatnam een paar jaar later.

Wij bezoeken het fort op een zondagochtend en op dat tijdstip is het vooral heel populair bij jonge stelletjes die er plenty plekjes vinden om in de schaduw van bastionmuren en - nissen dicht naast elkaar te zitten zonder gezien te worden. Behalve door ons dan, op onze ontdekkingstocht langs alle verborgen hoekjes van het immense fort.

Vanuit Palghat reizen we naar onze vrienden in Tamil Nadu. Hun resort is een bekende plek voor ons allebei, en dat geldt ook voor de dichtsbijzijnde provinciestad Dindigul, waar je vroeger heen moest om geld te pinnen of een treinkaartje te kopen.

In Dindigul kennen we het beste vegetarische restaurant naast het busstation, en het kleine winkeltje waar je lekkere koffie kunt kopen. En natuurlijk kennen we de karakteristieke kale rots met het fort erop dat over het stadje uitkijkt. Maar wat we ons nu pas realiseren is dat Dindigul een belangrijke rol speelt in het verhaal van Haider Ali en Tipu Sultan. Een hele belangrijke rol zelfs. En er zijn maar liefst drie bouwwerken die daarvan getuigen: een fort, een moskee en een modern gedenkteken.

We gaan nog verder terug in de tijd, naar 1745 om precies te zijn. In dat jaar wordt Dindigul veroverd door het koninkrijk Mysore, dat dus toen al aan het uitbreiden was (Mysore ligt zo’n 350 km ten noorden van Dindigul). Maar de nieuwe heersers krijgen de regio niet goed onder controle. In 1755 wordt Haider Ali, dan nog legercommandant, ernaartoe gestuurd om orde op zaken te stellen. En wat eerdere bevelhebbers niet lukte, lukt hem wel: hij krijgt Dindigul in het gareel. Het is hier dat hij al Franse militaire adviseurs aantrekt om zijn leger te moderniseren. Dindigul is de plek waar Haider de basis legt voor zijn latere machtsovername in het koninkrijk Mysore.

Haider en Tipu versterken ook het fort dat al minstens 150 jaar oud is. Ondanks die versterking wordt het in 1783 ingenomen door de Britten, maar in het eerder genoemde Verdrag van Mangalore in 1784 weer teruggegeven aan Tipu die zijn vader in 1782 is opgevolgd.

Toegang tot het fort van Dindigul dat op de kale rots ligt (*)

Aan de voet van de rots met het fort ligt een moslimwijkje, Begambur. Ook dat wisten we, want de bus naar het centrum rijdt er doorheen. Maar wat we niet wisten, is dat de wijk zijn naam te danken heeft aan een grafmonument gebouwd door Haider Ali voor zijn jongere zuster, die in Dindigul overleed. Zij was een ‘begum’, een belangrijke vrouw, en zo komt ‘Begambur’ aan zijn naam. Het mausoleum  is nog altijd intact en staat voor de grote moskee.

Mausoleum voor de jongere zus van Haider Ali, Dindigul (*)


Tipu Sultan: verzetsheld of tiran?

In Dindigul zijn we dus bij de vroegste dagen van de opmars van onze sultans beland, maar ook bij hun huidige status. Langs een brede weg met een groot stinkend open riool staat een wit bouwwerk met een grote koepel en smalle torentjes, dat een beetje aan een moskee doet denken. Het is een gedenkteken voor Haider en Tipu. De toenmalige ‘chief minister’ van deelstaat Tamil Nadu, zelf hindoe, heeft in 2015 13 miljoen roepies (ongeveer 20.000 euro) uitgetrokken om het te laten bouwen. Binnen staan de daden van Haider en Tipu in grote stenen gebeiteld - althans dat vermoeden we. De tekst is in het Tamil. We kunnen alleen de jaartallen lezen, en die verwijzen naar de vier oorlogen die Haider en Tipu uitvochten met de Britten. Hier worden ze geëerd voor hun verzet tegen de Europese indringers. Wat hier telt is dat ze Indiërs zijn.

Modern gedenkteken voor Haider Ali en Tipu Sultan in Dindigul (*)

Maar in het huidige India wordt steeds meer nadruk gelegd op de verschillende religies van al die mensen die samen de Indiase bevolking vormen, waarbij de hindoe-nationalistische partij de BJP, van mening is dat hindoes meer Indiaas zijn dan alle anderen. Vooral moslims moeten het ontgelden. In een tweet uit 2019 schrijft de BJP dat de echte Tipu Sultan ‘een tiran’ is, en dat  geschiedenisboeken op scholen moeten worden aangepast om de wreedheid van Tipu jegens hindoes te benadrukken.

De ene politicus bouwt een gedenkteken voor vrijheidsstrijders Haider en Tipu, de andere noemt Tipu een wrede tiran. Zelf vond hij de dood in 1799 in gevecht met de Britten en hun Indiase bondgenoten. Maar meer dan 200 jaar later houdt hij de gemoederen nog altijd bezig. In de aanloop naar verkiezingen in Karnataka, de deelstaat waartoe Mysore behoort, in mei 2023, verschijnt zijn naam regelmatig in de pers en op sociale media. Zo is de Tijger van Mysore nog altijd springlevend, ook al was zijn einde een omgekeerde versie van het beeld waarmee dit verhaal begon.

 

<EvdV>

------------------------------- 

 

Meer:

Meer Water Lily blogs:  

(4)De beroemde videoclip van Bekal Fort is o.a. hier te vinden.

Over de huidige controverses rond Tipu, zie bv:

Bronnen:

Dalrymple, William, White Mughals: Love and Betrayal in Eighteenth-Century India, London, 2002

Dalrymple, William, The Anarchy, The East India Company, Corporate Violence, and the Pillage of an Empire, Dublin, 2019

Forrest, Denys, Tiger of Mysore: The Life and Death of Tipu Sultan, London, 1970
(M1) Kaart "Southern India in the age of Tipu Sultan" van Denys Baker komt uit dit boek.

Maitre de la Tour (revised by Prince Gholam Mohammed), The history of Hyder Shah, alias Hyder Khan Bahadur, and of his Son Tippoo Sultaun, London, 1855

en online bronnen zoals Wikipedia.

Foto's:

(*) uit eigen collectie

(1) 'Tipu's Tiger', 1780s or 1790s, Mysore, India. Museum no 2545 (IS). © Victoria and Albert Museum, London

(2) By Anna Tonelli - http://chroniclecycles.blogspot.de/2011/07/throne-of-tipu-sultan.html, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=27542488

(3) By John Hill - Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=22935849