woensdag 7 februari 2018

Maleisie-Thailand Reisverslag 2018/3 Op bekend terrein (Penang & Satun)

Penang, Maleisië



We bleven 6 dagen op Penang, Maleisië. Hier waren we al vaker geweest en ook dit keer genoten we van de goede voorzieningen en de grote verscheidenheid aan culturen. We vereerden alle drie de bevolkingsgroepen met een bezoek.
We bezochten een grote Chinese tempel in de bergen, die een kruising tussen een bouwplaats en een pretpark was. We bezochten de floating mosque, een moskee gebouwd op palen boven het water. Het was er stil en sereen. We bezochten iedere dag Little India. Daar snoven we de sfeer op van India. De sari- en stoffenwinkels. De Bollywood muziek die keihard uit de dvd-winkels schalt. De levensmiddelenzaken met alle Indiase ingrediënten en kruiden. De restaurants waar het eten beter is dan waar dan ook in India. Dames in sari en spijkerbroek hand in hand.

Geen bevolkingsgroep maar wel onlosmakelijk verbonden met de  geschiedenis van Penang is het koloniale verleden. In het kader daarvan bezochten we de protestantse begraafplaats. Daar werd een rondleiding gegeven. Met een groepje van zo’n 15 mensen volgden we de gids, die erg veel wist en dat leuk vertelde. Veel historische weetjes over de geschiedenis van Penang en haar bewoners. Zo lag hier de Schotse advocaat James Richardson Logan, die de naam “Indonesië” heeft bedacht. Hij vond dat het land recht had op een eigen naam, analoog aan bv Polynesië, ipv een Nederlandse naam (gebruikelijk was toen Nederlands-Indië, Malesische Archipel, Nederlandsch Oost Indië, Indië, de Oost, Insulinde). Het zou tot begin 20ste eeuw duren voor de naam Indonesië werd opgepikt door de onafhankelijkheidsbeweging. En zo blijft ook Indonesië terugkomen, deze reis, net als India.


Op Penang was het al even bewolkt als op Sumatra, maar wel een stuk warmer, zo net boven de 30 graden. Twee en drie jaar geleden troffen we hier steeds een strakblauwe hemel.

Satun, Thailand



Dit was de vijfde keer dat ik van Penang naar Thailand ging. En weer was het via een andere route met andere modi van vervoer. Dit keer de super fast ferry via Langkawi. Ondanks de lange wachttijd op Langkawi was het een hele gemakkelijke en ontspannen modus van vervoer.

Al meteen bij aankomst in Satun, terwijl we naar ons hotel wandelden, keken we naar dingen die we herkenden, dingen die nieuw waren, dingen die veranderd waren of verdwenen waren. Voor zo’n stoffig stadje waar nooit iets gebeurt, was er eigenlijk best veel veranderd. Maar gelukkig niet bij ons hotel. Dat is nog even aangenaam, rustig en comfortabel als altijd.

De Qatari, Indonesiërs en Maleisiërs zijn bijna altijd allemaal heel vriendelijk, aardig en behulpzaam tegen ons geweest. Maar de stralende hartelijkheid van de Thai overtreft alles. De spreekwoordelijke Thaise glimlach is nog steeds hartverwarmend.

We werden geregeld nageroepen, toegeroepen en gegroet door voorbijgangers. Ook als die op de brommer zaten. Zo waren er drie jongelui op de brommer die wat riepen. Wij zwaaiden vrolijk terug. De twee meisjes achterop maakten het Thaise gebaar van de handen voor de borst vouwen en een lichte buiging voorover. En ze deden dat precies synchroon. Achterop de rijdende brommer.

Qua begrijpelijkheid is het andersom, er zijn nauwelijks Engelse opschriften en er wordt nauwelijks Engels gesproken. Er komt heel wat gebarentaal bij kijken.

Ons favoriete lunchrestaurant was er niet meer. Een zoektocht rond het nieuwe marktgebouw leverde niets op. Maar toen we informeerden bij buren van de loods waar het in gevestigd was – door een foto van de uitbaatster te tonen en te wijzen naar haar loods en vragend te kijken – was er koortsachtig overleg. Het ons uitleggen lukte ook niet vanwege de taalbarrière. Dus werden we samen achterop een brommer gezet en naar de nieuwe locatie van het restaurant gebracht!

Onze “vrienden” hier, de eigenaresse van het hotel, de uitbaatster van het lunchrestaurant, het meisje van het koffiestalletje, waren allemaal blij ons weer te zien en stopten ons allemaal eten toe.

En zo genieten we van een kopje koffie op onze veranda, een wandeling door de landelijke buitengebieden of een mangrove-bos, verkoeling bij het zwembad, een boekje lezen, een overheerlijke Thaise curry.

Voor het eerst deze reis in Zuid Oost Azië hadden we overwegend zon en serieus hoge temperaturen. En het geluk van een heldere avond met de maansverduistering, waardoor we langzaam de schaduw van de aarde over de maan zagen trekken. De maan werd roder, leek bolvormiger, iets doorschijnend, een melkglazen ei waar het konijn in zat.

donderdag 25 januari 2018

Indonesie Reisverslag 2018/2 Rondje Noord Sumatra

We reisden van Doha via Kuala Lumpur naar Medan. Een achtbaan van culturen, ontwikkelingsniveaus, klimaten, tijdzones en dag-en-nacht-ritmes.
Sumatra is ongeveer even groot als Spanje, en heeft ongeveer evenveel inwoners, maar een infrastructuur die vele malen slechter is. De kunst zit in de beperking: we hebben een niet-ambitieus rondje door de provincie Noord Sumatra uitgetekend.

Medan stad


De eerste indruk van Medan is groot, druk, vervuild en lawaaierig. Bij nadere kennismaking blijft dat allemaal staan, maar zie je ook de ontspannen en vrolijke mensen die je altijd stralend toelachen of een praatje maken. Niemand maakt zich kwaad in het verkeer, iedereen is behulpzaam. Er zijn leuke vegan eethuisjes en hippe/moderne coffeeshops. De sfeer is heel prettig en als het lawaai en de vuile lucht je niet zouden verjagen, zou je er zo een tijd willen blijven.


Je zou de ontwikkeling van een land kunnen afmeten van het aantal meters dat je over een trottoir kunt lopen. In Medan zijn de trottoirs meestal versperd door uitbouwen van winkels, geparkeerde auto’s, motoren of becaks. Of bergen bouwmateriaal, modder of rioolslib. Anders zitten er wel gaten in waardoor je in het riool kunt vallen, zijn er onverwachte op- en afstapjes, liggen er tegels los of steken er stukken betonijzer uit. En je moet oppassen voor overhangende luifels en borden waar je je hoofd tegen kunt stoten.
Meestal loop je dus maar op de rijbaan, tussen de geparkeerde auto’s en het verkeer in, hopend dat ze je zien. Verkeer bestaat vooral uit (relatief nieuwe) auto’s, motoren en becaks – motoren met een karretje ernaast die je huurt voor een ritje.

Na een ochtend sightseeing (koloniale gebouwen en Little India) namen we een becak terug naar huis. Het was de oudste en gammelste van Medan. De motor sloeg geregeld af, het voorwiel spoorde niet, de benzine kwam via een slangetje uit een jerrycan die aan de voorkant hing. De sigaret die de chauffeur nonchalant tussen z’n vingers had, hing er bijna tegenaan. We reden langzamer dan de verkeersstroom waardoor invoegen, weven en ritsen niet lukte – cruciaal in het verkeer hier. Bovendien moesten we vanwege de eenrichtingswegen omrijden, en dat deed onze chauffeur op een gigantische manier. Zodoende zaten we minstens een half uur in het drukke verkeer en de uitlaatgassen voor hemelsbreed 2½km. Maar we stonden géén doodsangsten uit en de lucht sloeg niet op je ogen en keel. En de mensen leken zich niet druk te maken, gaven elkaar de ruimte, toeterden niet te veel, en forceerden zich niet in ieder gaatje.

Bukit Lawang jungle



In het algemeen voel ik me niet zo thuis in plaatsen die enkel en alleen bestaan uit toerisme. Bukit Lawang is zo’n plaats. Een dorpje aan de rand van een groot Nationaal Park, waar ooit een orang oetan rehabilitatie centrum was. Bij het voederen kon je de dieren gemakkelijk zien en dat trok veel bezoekers. Het voederplatform is sinds een paar jaar gesloten, de half-wilde orang oetans die nog in de buurt zijn, kun je alleen zien op lange, dure jungle trekkings – en dat is wat iedereen hier “doet”.

            (Zie hier het verhaal van mijn jungle trek in 2000) 

Bukit Lawang heeft stand gehouden dankzij de rivier, de frisse lucht, en als backpacker ontmoetingsplek. Wij verbleven een paar dagen aan de strip langs de rivier – in het enige guesthouse/restaurant dat goed bezet was, waar het gezellig was en waar het eten goed was.

Daarna verhuisden we voor twee dagen naar een verder stroomopwaarts gelegen guesthouse, 1km over een smal voetpad voorbij de laatste voorzieningen. Daar had je een beetje het gevoel in de jungle te zitten, maar dan wel van bijna alle gemakken voorzien. Het guesthouse was smaakvol gebouwd met veel hout en bamboe, en het Indonesisch-Australische stel dat het runde, zorgde voor een rustige, ontspannen sfeer. 



De altijd razende rivier, de groene wand van de jungle aan de overkant, een kopje koffie op de brede veranda – hier zouden we wel aan kunnen wennen. 's Avonds een gezamenlijke maaltijd, 's nachts aardedonker, 's ochtends het geluid van aapjes en insecten. Na een regenbui stegen uit het oerwoud langzaam flarden damp op, die samensmolten tot wolken in wording.

Berastagi vulkanen


Berastagi is een voormalig Nederlands hill station op 1400m hoogte, nu een uitgestrekt plattelandsstadje dat leeft van de verbouw van groente en van Medanners die er een frisse neus halen op zondag. Het handje westerse toeristen valt er niet op. Je hebt uitzicht op twee vulkanen waarvan er één erg actief is. Het beklimmen van de andere is wat iedereen hier “doet”. 
Wij gingen rechtstreeks naar de warme bronnen aan de voet ervan, om lekker te badderen.

De groothandelsmarkt waar de verse producten van het land werden verhandeld, was een fascinerende chaos waar enorme hoeveelheden wortels, kool en aardappelen verhandeld werden en vervoerd op krakkemikkige vrachtautootjes die steeds vastzaten in de modder.

Een excursie naar de voet van de actieve vulkaan kon vanwege het weer niet doorgaan. Er waren dagelijks erupties, maar omdat die maar 5 minuten duurden moest je geluk hebben die te zien. Op een gegeven moment had de berg zich verhuld in zijn eigen aswolk. Toen het later ging regenen, sloeg een dunne laag as neer op het dakterras van ons guesthouse.

Net als het regenwoud maken de vulkanen hun eigen wolken. Stoom die ontsnapt stijgt op en vormt een wolk, die om de top blijft hangen.

Weerbericht: het was koeler dan gewoonlijk (“slechts” 23-26 graden) en meestal bewolkt. Er brak zo nu en dan een mager zonnetje door, en de meeste buien vielen ’s nachts.

Lake Toba meer



Het reizen op Sumatra gaat niet moeizamer dan in India, maar daar weet ik toch beter hoe de dingen werken en hoe je er mee om moet gaan. Een nacht in een hotel dat niet bevalt, een dag ziek, een busstation waar je serieus lastiggevallen wordt, een maaltijd die verkeerd valt, een creditcard die geweigerd wordt - het was in het begin wel pittig en bij tijd en wijle vermoeiend.

Des te prettiger dat we volkomen konden ontspannen aan de oevers van Lake Toba. Dat is wat iedereen hier “doet”. 
We bleven een kleine week, en het was de eerste plek op Sumatra waar we ons helemaal thuis voelden. De sfeer was er ontspannen, de natuur schitterend. Ook al was het er toeristisch, er was genoeg couleure locale met de kleine winkeltjes en cafeetjes, en zo gauw je van de hoofdweg afging, stond je tussen de waterbuffels en de rijstvelden.

maandag 1 januari 2018

Qatar Reisverslag 2018/1 Stopover in Qatar


Aankomst


2018 begon niet zo goed. We stonden in een lange rij voor de immigratie op het vliegveld van Doha toen de figuurlijke klok sloeg. We wensten elkaar en de Maleisische moeder en dochter voor ons in de rij gelukkig nieuwjaar, maar vreemd genoeg bleef het verder erg stil en gelaten onder de duizenden wachtenden. Na een aangename vlucht met Qatar Airways viel Doha Airport erg tegen. Het mocht dan een prijs gewonnen hebben en overdadig veel glitter, marmer en luxe bevatten, de organisatie klopte voor geen meter. Er waren maar twee balies open voor de immigratie en de rij vulde al snel de hele aankomsthal. Mannen met portofoons renden druk gebarend heen en weer om wachtenden hun plek te wijzen, maar ze hadden beter paspoorten kunnen gaan afstempelen. Soms werden gezinnen met kinderen uit de rij gehaald, een enkele keer werd een extra balie geopend, maar dat kwam dan alleen ten goede aan de mensen die achterin stonden. Anderhalf uur stonden we te staan en te schuifelen voor we eindelijk aan de beurt waren.

Van de weeromstuit vergat ik vervolgens mijn tas nadat ik Ryali gepind had achter de bagageband. Ik merkte het pas toen we al voorbij de douane waren. Het viel niet mee me een weg terug te praten langs de beveiliging en de douaniers, want dat is natuurlijk eenrichtingsverkeer. Gelukkig lukte het en stond mijn tas er nog. De explosieven opruimingsdienst was nog niet uitgerukt.

Rondkijken


Behalve dat we een beetje vermoeid waren van die nachtelijke escapade, genoten we ervan de volgende dagen Doha te bekijken. We wandelden heel wat rond, voornamelijk door het oude centrum waarnaast o.a. een nieuwe souk en een prachtig museum gebouwd waren.

De nachten en ochtenden waren koel en heiig, maar midden op de dag was het zonnig en aangenaam.

De Qatari liepen meestal in traditionele  klederdracht. De mannen in witte jurken met een sjaal om het hoofd, de vrouwen in dunne zwarte mantels over hun gewone kleding. Daaronder hoge hakken of strakke spijkerbroeken. Hoofddoek en grote zonnebril konden niet verhullen dat er veel aandacht aan make up en uiterlijk besteed werd. Er waren overigens ook veel dames zonder hoofddoek.  We zagen een groepje jonge moeders in een café aan de waterpijp, terwijl hun Filipijnse kindermeisjes even verderop de kinderen bezighielden.

Vegetarisch eten in het Midden-Oosten betekent al gauw Indiaas of Libanees fast food. Het was soms even zoeken, maar dan was het smullen van hummus,  falafel, foul en lekkere pita broodjes.

Qatar in ontwikkeling


Een fascinerende en gevarieerde stad met nieuw en oud, rijk en arm, oosters en westers, noordelijk en zuidelijk. De mensen die je ziet lijken uit alle windstreken te komen en daarmee zijn winkels en restaurants al even afwisselend.

Doha is bezig met een inhaalslag om het oliegeld te investeren en Dubai en Abu Dhabi te evenaren als handelscentrum. Ze hebben nog een weg te gaan. In het oude stadscentrum is het een bonte lappendeken van 25 jaar oude hoogbouw, een enkel modern gebouw, heel veel bouwplaatsen waardoor straten en stoepen versperd zijn, onverharde stukken land die als parkeerterrein gebruikt worden, een paar vergeten blokken van 50 jaar oude laagbouw – en overal tussenin charmante oude moskeetjes die wegvallen tussen de hoogbouw. Hier en daar blokken met wat levendigheid op straatniveau, maar meestal houdt dat niet over. In zijstraten met oude panden waarin oude kleine winkeltjes en restaurantjes zitten, is 's avonds nog het meeste reuring.

Van de boycot door Saudi Arabië is op het oog niets te merken (hoewel we in de krant lazen dat de huizenprijzen daalden). Dat ons buurtwinkeltje een ochtend geen yoghurt had, kwam eerder door gebrekkige logistiek. En daarmee heb je de makke te pakken. Een groot vliegveld bouwen, heel veel stadsbussen kopen, een zebrapad schilderen op een zesbaans weg, een metro intekenen - dat lukt allemaal wel. Maar het dan goed regelen, genoeg Marechaussee oproepen, eenduidige kaartjes met busroutes publiceren, automobilisten leren te stoppen voor het zebrapad – dat is een stuk moeilijker. Overal wordt aan de metro gewerkt maar een openingsjaar durft niemand meer te noemen. Het zelfde geldt voor het Nationaal Museum in aanbouw. 
Als ik de FIFA was, zou ik me zorgen maken over het WK 2022.

India connectie


Het is een goede gewoonte om iedere reis naar een Indiaas aspect te kijken. In Qatar is dat wel heel gemakkelijk. Van de 2 miljoen inwoners komt bijna de helft uit wat vroeger Brits India was. Toen we de vliegtuigtrap afliepen, stond al een ploegje Indiase schoonmakers klaar om aan boord te gaan. Ze hebben meestal de zware beroepen in de bouw. Schoonmakers, koks en ook winkeliers komen meestal uit zuid Azië. De vrouwelijke gastarbeiders komen vooral uit de Filipijnen en zie je bv achter de receptie en als kindermeisje.

Nieuwjaarsavond gingen we uit eten in de Saravana Bhavan, de internationale keten van Indiase restaurants die nu ook in Amsterdam zit. Het zat er helemaal vol met Indiase gezinnen, wij waren de enige niet-Indiërs. Het eten was authentiek zuid Indiaas op een bananenblad en bijzonder lekker.


vrijdag 1 december 2017

De wereldwijde vegetariër (1) India

India

Voor vegetariërs is India het paradijs op aarde. In geen enkel land ter wereld is het zo gemakkelijk om vegetarisch eten te vinden. Hoewel de Indiërs zelf met het stijgen van de welvaart steeds meer vlees (vooral kip) eten, is er een enorm aanbod van vegetarisch eten. En wat misschien nog belangrijker is, iedereen begrijpt meteen wat je bedoelt als je om veg vraagt. Áls er in een plaats een restaurant is, is er ook een veg restaurant te vinden.

Noord Indiase Thali

lunch

Voor de lunch is de beste keus meestal een thali (Noord India) of een  meal (Zuid-India). Veel restaurantjes serveren hier rond de middag grote hoeveelheden van. Om het beste restaurant te kiezen ga je bij de uitgang van het busstation staan; aan de overkant van de weg is een rijtje thali-restaurants; waar het het drukste is, schuif je aan. Het is volkomen normaal dat je je tafel deelt met anderen. Soms moet je vooraf bij de kassier een voucher/coupon kopen voor een maaltijd. De special heeft dan een extra toetje. Aan de ober hoef je nauwelijks iets te zeggen, misschien "meal" en je vinger opsteken. 

In Zuid-India krijg je een bananenblad voor je. Daar sprenkel je een paar druppels water op die je er dan weer afveegt of schudt. Verschillende obers komen langs die achtereenvolgens rijst, droge groentes en sambar uit een grote schaal of emmer scheppen. In principe scheppen ze onbeperkt bij, tenzij je een limited meal besteld hebt. In sommige regio's krijg je chapati of een ander soort brood pas als je je rijst ophebt - in andere regio's is het precies andersom.
Zuid Indiaas Meal

In Noord-India krijg je een roestvrijstalen schaal met roestvrijstalen bakjes met de verschillende gerechten, die iets meer sauzig of curry-achtig zijn, en een dahl. De ober schept dan de rijst daartussen op.

diner

Restaurants zijn onderverdeeld in veg en non-veg, en dat staat vaak met een bordje aangegeven. In grotere hotels zijn vaak twee verschillende restaurants met volledig gescheiden keuken, de een veg en de andere non-veg. Oh ja, in kleinere plaatsen in Zuid-India wordt de term hotel ook wel gebruikt voor een heel klein restaurantje. Voor een overnachting zoek je een opschrift boarding of lodging. In kleinere plaatsen zijn er soms weinig of geen restaurants, en de kwaliteit kan ook erg uiteen lopen. Aarzel niet om te gaan eten in een groot hotel (als dat er wel is) – zelfs als de hotelkamer ver boven je budget is, is het eten in het uitstekende restaurant goedkoop.
Voor mij bestaat het ideale menu uit een groente-curry/masala, een dahl-variant, rijst en plain naan of chapati. Als je groente in een saus ligt, heet dat gravy (dat verwijst niet naar "jus"), anders is het dry ("dry" staat niet altijd op de kaart maar kan op verzoek gamaakt worden).


In een Indiaas veg restaurant staat geen ei op het menu. Veel gerechten zijn veganistisch, behalve het schaaltje met yoghurt/curd en het toetje. In Noord-India zit er door veel gerechten ghee, een soort boter. Biriyani wordt met veel ghee gemaakt en is in het zuiden vooral populair bij bruiloften en partijen. Dan zit er vaak ook kip of schaap doorheen.

koffie en ontbijt

Koffie is in Noord-India niet erg gangbaar en soms moeilijk te vinden. In het zuiden is het overal te krijgen. Tot voor kort was dat vaak een klein schepje oploskoffie in een bekertje buffel-melk met veel suiker - vraag om half sugar of suger separate en extra strong. Tegenwoordig is er gemakkelijker filterkoffie te krijgen van behoorlijke kwaliteit.

Als je je eigen ontbijt wilt verzorgen, zijn de meeste ingrediënten gemakkelijk te krijgen. Havervlokken of white oats zijn in ieder kruidenierswinkeltje te koop. Fruit op iedere straathoek. Yoghurt/curd soms in een "supermarkt" en vaak in een klein winkeltje met melkproducten. Ze zijn te herkennen aan een koelkast en een reclamebord voor het regionale melk-merk. Met een beetje rondvragen vind je ze wel. In geval van nood kun je mango-sap over je havervlokken gieten.

De pakjes koffie die je bij de kleinere kruidenierswinkeltjes kunt kopen, bestaan meestal voor een groot deel uit chicorei, surrogaatkoffie. Gemalen (pure) filterkoffie is in Zuid-India te koop in de grotere steden, bij outlets van de verschillende koffiemerken. Daar wordt het ter plekke voor je gemalen en verpakt. Sommige "supermarkten" verkopen die pakjes ook. 
Narasus's coffee outlet, Coimbatore


meer

Meer afleveringen van de wereldwijde vegetariër.

zondag 19 november 2017

Reisblog 40 jaar later (4/4) Marokko, in je eigen wereldje

2017-2018. Deze winter is het 40 jaar geleden dat ik mijn eerste grote reis maakte. Wat is er veel veranderd. In hoe ik zelf reis. En in hoe jonge mensen reizen.
We waren weken onbereikbaar. Poste restante betekende dat iemand een brief stuurde naar een postkantoor, waar je dan ging kijken of er wat voor je lag. Naar huis bellen deed je een keer per reis vanuit de internationale telefooncentrale, achter het hoofdpostkantoor, herkenbaar aan de zendmasten op het dak. 
Zelfs Email en Internetcafés bestonden nog niet. Laat staan dat je een laptop, tablet of smartphone meeneemt en er van uit gaat dat er wifi in het hotel is. Je had je eigen mini-wereld, zonder veel afleiding door het thuisfront.


Essaouira 

Intussen reisde ik samen met Ewin, een Canadese jongen. We namen de bus van Marrakesh naar Essaouira, een klein stadje aan de kust. Daar sliepen we eerst in een hotel, maar de volgende dag gingen we plas­tic zeil en een watercontainer kopen, om ons in te richten op een kampeer­partij aan het stra­nd. Een stukje buiten de stad vonden we een mooi plekje in de duinen. Daar gezellig thee en een soepje gebrouwen, en vroeg onder de wol.
Tja, en toen we de volgende ochtend wakker werden... waren al onze spullen verdwenen! Een duidelijk geval van beroofd zijn. Ik had m'n paspoort en het meeste geld in m'n slaapzak, dus dat was er nog. Ewin had ook een deel van z'n geld daar. Zijn paspoort en mijn bril lagen iets verderop. Maar behalve de kleren die we aanhadden, was alles weg - zelfs onze schoenen!

Dat werd dus een trieste (af)gang, terug naar Essaouira. Eerst dronken we even wat op een terrasje om van de schrik te beko­men. Toen naar de politie om aangifte te doen. Daar liepen ze al niet hard voor ons, maar toen ze hoorden dat we onze pas­poorten nog hadden, waren ze helemaal niet meer geïnteres­seerd - dat was ongetwijfeld de reden dat ze Ewin's paspoort hadden achtergelaten. En mijn bril uit een soort compassie. Jammer dat ze m'n contactlenzen waarschijnlijk niet herkend hadden en er het­zelfde mee gedaan. Daar had zéker niemand anders wat aan.

Vervolgens gingen we maar uitgebreid inkopen doen - schoenen, sokken, toiletspullen, pennen, etc. En toen namen we maar weer onze intrek in een hotel.
We bleven nog ruim twee weken in Essaouira, en ondanks het idee dat degenen die ons bestolen hadden, hier waarschijnlijk gewoon rondliepen en het van ons wisten, was het een zeer genoeglijke tijd. De 'locals' vielen je hier ook veel minder lastig dan in Marrakesh - of was dat omdat ze wisten dat alles ons al ontstolen was?

We zaten veel op terrasjes in de zon, pratend met toeristen die kwamen en gingen, en dronken thee met zoetigheid; 's avonds werd er geregeld wijn gedronken; soms was er ergens popmuziek te beluisteren; er waren een aantal leuke restau­rantjes en cafés; in ons hotel voelden we ons prima thuis.
Onder de komende toeristen waren ook Sean en Gill, een stel uit Londen waar we veel mee optrokken, en die ik later dat jaar nog zou 'gebrui­ken' als eerste ingang om een plek in Londen de vinden.


De stad had een fort-achtige versterking naar de zee, vanwaar het een mooi uitzicht was op de vaak spectacu­lair uit elkaar slaande golven. Er was een sfeervol haventje, waar 's ochtends de vissersvloot binnenliep, en je verse, op houtskool ge­grilde vis kon krij­gen met brood en een schijfje citroen. Het centrum bestond uit smalle steegjes langs de wat grotere straat waar de meeste winkeltjes en marktkraampjes waren. 
haventje waar je verse vis kon krij­gen 
De meisjes/vrou­wen in Marokko waren erg mooi. Eerst dacht ik nog dat ik dat vond omdat je er in Tunesië en Alge­rije zo weinig van zag, maar ook andere reizigers viel het op. Zelfs de vrouwen met sluier, waarvan alleen de ogen zichtbaar waren, mochten er wezen. Op de markt werd ik eens door zo een paar ogen bijna verslonden. Maar natuurlijk kon er nooit iets gebeuren. Zelfs buitenlan­ders ónderling moesten zich netjes gedragen: ik zag een paar­tje dat in het openbaar zoende een keer de huid vol gescholden worden.
vrouw met sluier, alleen de ogen zichtbaar 
Een paar heerlijke weken. Je zou zo vergeten nog ooit te vertrekken, zo in je eigen wereld. Maar het moest er toch een keer van komen. Samen met Sean en Gill had ik een datum geprikt, 16 februari.

De laatste dag hing er een weemoedige sfeer, maar werden we nog eens getrakteerd op een extra mooie zonsonder­gang en extra mooie golven. Op het dak van het hotel vierden we een klein afscheidsfeestje. 
1978, 1994, 1997, 2017


Meer van 40 jaar geleden

Reisblog 40 jaar geleden (1 t/m 4)

dinsdag 14 november 2017

Reisblog 40 jaar later (3/4) In Algerije is het veilig

2017-2018. Deze winter is het 40 jaar geleden dat ik mijn eerste grote reis maakte. Wat is er veel veranderd. Landen die ooit ontoegankelijk waren, liggen nu aan je voeten. Landen die ooit veilig waren, zijn nu ontoegankelijk. Libië en Algerije veranderen wat dat betreft voortdurend van status. In Tunis kwam ik terecht tussen opstootjes en politie-charges die de aller-eerste voorlopers waren, van wat veel later de Arabische lente zou worden genoemd.

Om een beetje het wereldnieuws te volgen probeerde je zo nu en dan een krant te lezen. CNN bestond nog niet, waar we veel later in Thailand van afhankelijk waren om te zien dat de er twee straten verderop een opstand uitbrak, en dat het vliegveld nog voor één dag kerosine had. Dank zij die informatie konden we net op tijd het land uit.

Europa zuchtte onder de terreur van de IRA, de RAF, de ETA en de Brigrate Rosse en er vielen in die jaren véél meer doden dan er sinds "9/11" in Europa gevallen zijn. Het lijkt wel eens of we dat vergeten zijn...


Tunis

Ik zat er aan te denken om via Libië naar Egypte te gaan. Ik ging maar eens bij de Nederlandse ambassade/consulaat informeren naar de grensdocu­menten. Daar waren ze vooral erg boos dat mijn paspoort er zo slecht uitzag: verkreukeld, nat en gescheurd. 'Dat heb je in bruikleen van de Neder­landse staat! Daar moet je heel zuinig op zijn!'
De grens tussen Libië en Egypte was dicht na wat schermutselingen, dus dat leek niet zo'n goede keus. Dan maar westwaarts in plaats van oostwaarts! Een visum voor Alge­rije geregeld, waarvoor zowaar pasfoto's gemaakt moesten worden.
Mijn laatste dag in Tunis waren er relletjes en poli­tie-charges in de stad, in verband met de gestegen broodprij­zen of zo iets, maar het ging toch een beetje langs me heen. Ik stond er op een straathoek naar te kijken. Veel later zou ik lezen dat er een algemene staking was en dat bij het neerslaan daarvan tenminste 42 doden zijn gevallen.

Algerije

Algerije werd in die tijd niet door toeristen bezocht, en de enige buitenlanders waren Fransen die er om zakelijke of ontwikke­lingshulp-redenen waren. Dus ik trok heel wat bekijks, en had wel eens groepen kinderen om me heen of achter me aan. De Islamitische gast­vrijheid heerste echter volop. Lifters meenemen was een plicht, en ook in alle andere opzichten waren de mensen erg vriendelijk, behulpzaam en betrouwbaar. Taalpro­blemen waren er hier (in heel Noord-Afrika) nauwelijks: niet alleen sprak bijna iedereen Frans, maar omdat het voor henzelf ook niet de eerste taal was, ook nog eens heel wat langzamer en verstaanbaarder dan in Frankrijk.

Het eerste stuk vanaf de grenspost ging ik met een soort taxi, en daarna liftte ik verder naar Constantine. Dat was een vrij grote stad, waar ik een hotelletje vond. Het was een echte studentenstad, en de studenten vonden mij ook wel interessant. In een café sprak ik een jongen aan die me wel aardig leek, ene Messaoud. Daar trok ik verder mee op en ik kreeg zelfs onderdak bij hem­. Water was er in Constantine maar twee uur per dag. Zelfs het toilet was buiten die tijd niet te gebruiken, en het schoonma­ken en dragen van contactlenzen moest ik tijde­lijk opge­ven. Ook het wassen van kleding en mezelf gebeurde minder en minder.

Na twee dagen ging ik verder naar Algiers, de hoofdstad. Erg groot en druk. De zoektocht naar een hotel leverde hier niets op. Wel liep ik een Franse jongen tegen het lijf die een adres in een stad verderop had. Dus wij naar het station en met de trein. Die was niet alleen afgeladen vol, we stonden klem in het gangpad, maar had ook nogal wat zwartrij­ders. Toen de controle kwam, klom iemand uit het raam en ging buiten de trein hangen! Maar ja, zijn vingertoppen waren natuurlijk toch zichtbaar, en op het volgende station werd hij aan de politie overgeleverd. In Khemis-Milliana had een stel Fransen een flat, waar ik wel een dagje kon blijven. Daar kon ik luxe douchen en eten.

Verder ging het. Onder Oran langs, en daarmee wat afgedwaald van de doorgaande weg, kwam ik in een bergdorpje. Het sneeuwde er, en er was geen stroom en geen hotel. Dus ik ging maar eens op het politiebureau informeren, en kon daar gelukkig onderdak krijgen. Niet in een cel, maar in de wachtkamer op de bank. Een veiligere plek was er niet te bedenken. 

De volgende dag liftte ik verder, en nam een bus het laatste stukje tot de grens met Marokko. En daarmee had ik in een kleine week Algerije van oost naar west doorgestoken.
1977-1978, 1994, 1997, 2017

Meer van 40 jaar geleden


Reisblog 40 jaar geleden (1 t/m 4)

donderdag 9 november 2017

Reisblog 40 jaar later (2/4) No-budget in Tunesië

2017-2018. Deze winter is het 40 jaar geleden dat ik mijn eerste grote reis maakte. Wat is er veel veranderd. In hoe ik zelf reis. En in hoe jonge mensen reizen. 

Waar ik me over verbaas is wat een riant budget veel backpackers  hebben, tegenover het low-budget van toen. We zijn met z'n allen véél rijker geworden.

In Mysore keek ik een paar jaar geleden in de lobby van wat 20 jaar eerder mijn low-budget backpacker-hotelletje was. Inmiddels een geheel gerenoveerd luxe boutique hotel ruim boven mijn budget. Komen er twee jonge meiden met een grote rugzak binnen. Zegt de een tegen de ander: "Is dit niet te duur?". "Nee hoor, dit is het hotel waar mijn moeder vroeger ook geweest is, ze zei dat we hier moesten logeren."

Zelf reisde ik 40 jaar geleden no-budget. Of bijna dan toch: gemiddeld gaf ik 5 US-dollar per dag uit. Zelfs een hotel kon je uitsparen - soms omdat er eenvoudigweg geen wás.


Op de boot van Sicilië naar Tunesië had ik Peter en Erik ontmoet, een Duitse en een Franse jongen. We trokken een tijdje samen op. Liftend in zuidelijke richting strandden we in een dorpje vlak voor Mahdia. We brachten de avond met wat 'locals' door, en de nacht in een garage op een grote berg olijven. De volgende dag hebben we zo'n olijven-boomgaard bekeken. Onder de bomen spreidden ze zeilen uit, waarop ze de olijven opvingen.

Djerba


Verder, naar het eiland Djerba. Djerba was toen al een toeris­ten-nederzetting aan het worden. Er waren luxe-hotels waar heel veel Duitsers de kerstdagen doorbrachten. In zo'n hotel had je letterlijk alles: postkantoor, bank, discotheek, nacht­club met buikdanseres, restaurants, cafés, bars, winkels. Alleen te duur voor ons budget, dus we gingen op het strand slapen - nog steeds met z'n drieën. Ruim een week kampeerden we daar in een primi­tief soort hut van takken en bladeren op het strand. 's Nachts was het wel koel, en vooral vochtig, overdag was het zonnig en warm. We maakten soms mooie kampvu­ren, een keer met een com­plete boomstam. We bezochten 's avonds zo'n verderop gele­gen sjiek hotel, waarna je terug door het donker over een meter-brede greppel moest. We wasten onze kleren in de middellandse zee - het is geen goed idee dat met een spijkerbroek te doen. Met de kerstda­gen zwommen we in zee.  Zo nu en dan liftten we naar de stad (20km) of het dorp (6km) ver­derop, inko­pen doen op de markt, vooral om soep van te brouwen. Het was heel relaxed allemaal. De grootste wens was een douche.
Na een week ging ik met Matma­ta, een dorpje meer land­inwaarts. De huizen waren daar uitgegraven in de grond, rondom een soort diepe ronde kuil die als dorpsplein dienst deed. Daar veel in een café geze­ten (en geslapen, bij gebrek aan een hotel); thee gedron­ken; oud en nieuw laten passeren.

Grensplaats

Ik bracht een week door in Tunis-stad (waar ik wel in een hotelletje sliep) voor ik weer verder reisde. De stad uit gelift. Met het vallen van de avond werd dat moeilijker. Ik was in een dorpje beland waar wat opge­schoten jongeren zich om me 'ontfermd' hadden, en ik voelde me er niet zo prettig bij. Ze wezen me als onderdak een in aan­bouw zijnd huis, maar tegelijk zaten ze achter m'n rug de zijzakjes van de rugzak te onderzoeken. Uiteindelijk wilde een 'taxi' me wel weer meenemen naar het volgende dorp, maar tegen betaling, en het Tunesische geld was op... Maar voor een pakje thee deed hij het ook wel. In dat dorp was op straat intussen niets en niemand meer te zien, en ik installeerde me ergens op een veranda, een beetje uit het zicht, voor de nacht.
De volgende ochtend bleek ik in een soort schooltje te liggen. En samen met de kinderen kreeg ik ontbijt: een soort liga-koeken en melk gemaakt van Nederlandse melkpoeder.
Dit was al het grensdorp, maar ik zat wat zuidelijker dan de doorgaande weg, en er was hier dus erg weinig verkeer. Vol goede moed begon ik de wandeling op de weg die ze wezen, naar de grens. Slingerend door de heuvels was het een kilometer of drie naar de Tunesische grenspost. Dat was al even doorzetten, zo met de rugzak. Maar, oh schrik, daarachter begon een nie­mandsland van 13 kilometer naar de Algerijnse grenspost! Er zat weinig anders op dan door te wandelen. Een klein stukje kon ik nog meerijden op een of andere landbouwmachine, maar het was toch voornamelijk een héle lange wandeling...

De Algerijnse grenswachters keken ze wel een beetje op van zo'n vreemde snuiter, en vroegen zich af of mijn lenzen-spullen echt geen drugs waren. Maar ik mocht er in...
1977-1978, 1994,1997, 2017

Meer van 40 jaar geleden

zaterdag 4 november 2017

Reisblog 40 jaar later (1/4) Liften in Italie

November 2017. Deze maand is het 40 jaar geleden dat ik aan mijn eerste grote reis begon. Veertig jaar, eigenlijk niet te bevatten. Wat is er veel veranderd. In hoe ik zelf reis. En in hoe jonge mensen reizen. Het woord "tussenjaar" bestond nog niet. Het woord "liften" lijkt uit het reis-vocabulaire verdwenen. Een fenomeen uit een ver verleden.


Naar Florence - zoals de waard is, wordt hij vertrouwd door zijn gasten.

Die ochtend scheen de zon nog. Maar na Chur moesten we om­hoog, een heuse Alpen-pas over. En hoe hoger we kwamen hoe harder het ging sneeuwen. Al gauw ging al het verkeer op een slakke­gangetje. Zo nu en dan slipte er een auto, maar nog niet erg. Uiteindelijk stonden er steeds meer auto's verlaten op of langs de weg. Tergend langzaam ging het verder, of soms een kwartiertje helemaal niet. En door de dichte sneeuwbuien zag je werkelijk nog geen tien meter. Maar dat maakte niets uit, want als je zo nu en dan wel wat verder kon kijken, was toch allemaal wit, en zag je bijna niet hoe hoog de bergen en hoe diep de afgronden waren. Na een hele tijd ging het weer om­laag, en het ging zowaar wat beter en sneller. Tot zo'n 40 km voor de grens, waar de laatste bergpas begon. Alle auto's zonder sneeuwkettingen werden door de politie teruggestuurd. En dus ook die waarin ik zat. Uitgestapt dan maar. Maar geluk­kig alweer vrij vlot meegenomen door een Itali­aans echtpaar met een grote bestel­auto, dat tot Como, de grensplaats ging. Die laatste berg was inderdaad heel verschrikkelijk. Zonder zichtbare aanleiding gingen auto's zo nu en dan volle­dig om hun eigen as. Maar ook dat hebben we overleefd.
Bij de grens was ik al bijna uitgestapt, toen ik er achter kwam dat het echtpaar hier alleen een half uurtje zou blijven, en dan verder gaan naar Florence. Ik had nog geen idee wat ik in Italië wilde doen, maar van Florence had ik veel goeds gehoord. Dus ter plekke viel het besluit dat dat mijn eerst­volgen­de bestem­ming zou worden, en spraken we af dat ik verder mee zou gaan. Terwijl zij wat zaken gingen regelen, kon ik mooi geld wisse­len, en liet daarbij mijn bagage in de auto achter. Bij terug­keer een ernstige vermaning van het echtpaar, dat je zoiets in Italië nooit moest doen, en dat ze er gemak­kelijk met al mijn spullen vandoor hadden kunnen gaan. Mijn verweer was, dat ze al bij een eerdere stop mij alleen in de auto hadden gelaten, met de sleu­tel­tjes er nog in, en dat mensen die dat doen geen slechte gedachten konden hebben. Verbijste­ring en hilariteit.
Vanaf de grens naar Florence was het nóg 5 uur rijden. Vanaf daar ging de rit door het donker, en al was de sneeuw hier al van de weg geruimd, het bleef slecht weer om te rij­den. Door de Po-vlakte lang­s Milaan, en voorbij Bologne een nieuwe bergketen over. Daar geen sneeuw meer, maar toen begon het te misten!
Al met al een behoorlijk opwindende tocht door de elementen, van Zwitserland naar Italië. Maar in Florence was het tenmin­ste niet koud.


Naar Catania

Maar ja, ook in Florence kwam de winter steeds dichterbij, dus na twee weken ging toch verder. Van de Italianen die op Ponte Vecchio rondhingen kwamen er veel uit Sicilië, en ik kreeg een adres in Cata­nia, dus werd dat mijn volgende bestemming.

Liften deed je in Italië niet door je duim omhoog te steken, maar door de bestuurders aan te spreken bij benzine-stations of bij de toegang tot de tolwegen. Het duurde een paar uur voor ik dat door had, maar toen vond ik meteen een auto die tot Rome ging. Daarvan zag ik alleen de randweg. De volgen­de rit ging meteen tot Napels - alleen iets te ver de stad in, zodat ik weer een stuk terug moest. Op een gegeven moment, eigenlijk al op weg naar een hotelletje voor de nacht, zat ik bij mensen in de auto die zeiden: 'kijk, een vrachtau­to met Cataniaans nummer­bord!' Dus bij de volgende tol zorgden ze dat we daarnaast stopten, en kon ik 'overstappen'. Dan was het nóg 12 uur, over steeds smallere wegen. Al met al een monster-etap­pe, maar in zo'n 24 uur was ik van Noord- in Zuid-Italië gekomen.

1977, 1994, 1997, 2017

Meer van 40 jaar geleden

Reisblog 40 jaar geleden (1 t/m 4)

zondag 22 oktober 2017

The Breeders in de Melkweg


Good morning” is het openings-akkoord van de single die de Breeders uitbrengen aan de vooravond van hun tournee. Het doet denken aan Last Splash, het legendarische album van de Breeders uit 1993. Ze zijn terug in die bezetting en met die sound.

De Breeders ontstonden als nevenactiviteit toen Kim Deal bassiste bij de Pixies was, maar daar te weinig inbreng kreeg. Het immense belang van de Pixies voor de ontwikkeling van de moderne muziek is vaak geïllustreerd met het citaat van Curt Curbain dat hij met Nirvana probeerde de Pixies te imiteren – met meer commercieel succes. Minder bekend is dat Curt ook zei dat hij graag had gezien dat Kim meer Pixies-nummers had mogen schrijven. Enfin, over de invloed van de Pixies en Kim Deal zijn boeken vol te schrijven.

Maar nu is het 2017. Nirvana en de originele Pixies bestaan niet meer, Kim is nuchter en de Breeders staan op eigen benen. In de Melkweg.

*

De zaal is nog half leeg als het voorprogramma begint, de Pins uit Manchester. Maar als die uitgespeeld zijn, is het bomvol. Het doorsnee publiek is al even onopvallend gekleed als we Kim kennen. Geen expressie van subculturen, geen opvallende uitdossing.


The Breeders
Kim is het middelpunt op het podium en duidelijk het hart van de band. Met opvallend veel plezier zingt ze en speelt ze gitaar. Drummer Jim zorgt met al even veel plezier voor de drive en dynamiek. Josephine speelt cool en onbewogen haar basgitaar. Kelly heeft al haar aandacht nodig voor haar gitaar, ze kijkt steeds geconcentreerd naar haar handen als ze speelt.

We krijgen een anderhalf uur durende set voorgeschoteld vol korte en krachtige nummers die de vier decennia van Kim's carrière omspannen. Zelf hebben ze ook het nodige historisch besef: "In de zaal hiernaast speelt nu Philip Glass. Dit nummer is van de Safari EP die we in 1993 in zijn studio in New York opnamen." "Dit nummer speelden we in 1992 toen we op tournee waren met Nirvana, hier in de kleine zaal" (die niet meer bestaat). "Back to the eighties" als aankondiging voor Gigantic, de eerste single van de Pixies, opgebouwd rond Kim's baspartij. Ze ruilt er speciaal bass en gitaar voor om met Josephine. Kelly neemt Joey's snerpende gitaar-riffs met verve over.

Instrumenten worden ook gewisseld voor Off you. Nu speelt Kelly bas, maar ze moet dat op de grond zittend doen, om het akkoorden-schema van een groot vel papier te kunnen lezen. Roadie Mike, die voor de gitaren zorgt, speelt ook een partijtje mee. Het resulteert allemaal in een aangrijpend mooie uitvoering.

Generale repetitie voor de tour in Newport, KY
De uitvoeringen van Drivin' on 9 en Beatles-cover Happiness is a warm gun laten zien hoe ze ieder nummer naar hun eigen unieke sound kunnen omvormen.
Na een week met de Pins op tournee te zijn, hebben ze ontdekt dat Pins-zangeres Faith ook viool speelt, en dat is precies wat nodig is voor Drivin' on 9. Vandaag speelt ze voor het eerst mee, en het is de perfecte aanvulling. Dit had uitgesponnen mogen worden tot een lange uitvoering, maar zelfs dit nummer blijft onder de drie minuten.

De Breeders spelen alles behalve als een geoliede machine. De gitaar-wissels duren te lang en gaan soms verkeerd. In het begin staat Kim's zang te zacht. Er wordt voortdurend gerommeld aan de voetpedalen. Kim moet Kelly uitleggen welke partij ze moet spelen in Wait in the car. Maar de vreugde, volatiliteit en energie die in de Kim's geweldige composities en arrangementen gelegd worden, zorgen voor een gedenkwaardige avond.

Meer concerten 

Lees hier meer concert-reviews