woensdag 4 april 2018

Food hypes, waar komen ze toch vandaan?


Steeds weer hoor je over een nieuwe rage op voedselgebied. Een nieuw dieet, een nieuwe super food. Meestal waaien ze over, soms zijn ze hardnekkig. Meestal zijn ze onschuldig, soms levensgevaarlijk.

Abrikozenpitten zouden helpen tegen kanker maar blijken gewoon giftig; het voedingssupplement MMS blijkt een soort reinigingszout dat brandwonden veroorzaakt; zeezout zou goed voor je zijn; brood zou slecht zijn; cholesterol zou toch niet slecht zijn; kokosolie zou beter zijn dan andere vetten – het aantal bizarre voorbeelden is eindeloos.

Maar waar komen ze eigenlijk vandaan, die rages? Soms is de bron te goeder trouw, soms te slechter trouw.

Soms is iemand die een "hype" volgt, tegelijk bewuster gaan eten, wat bijna altijd automatisch impliceert dat je gezonder gaat eten, en die iemand denkt dan ten onrechte dat de verbetering te danken is aan één ingrediënt van zijn/haar nieuwe voedingspatroon (“eet meer broccoli”) en dat dat ook voor andere mensen opgaat.

Sommige foodbloggers zoeken naar steeds nieuwe dingen om op te vallen, om volgers te krijgen. Dat lukt alleen als je steeds extremere voeding aanprijst. En toegegeven, dat kunnen ze soms met veel overtuiging doen. Soms worden daarbij leugentjes en valse claims niet geschuwd. Als die bloggers elkaar na gaan praten, is de hype geboren. Als de foodblogger er jong, gezond en sexy uitziet, helpt dat ook. 

Je foodblog wordt niet populair als je vertelt dat de grootste bijdrage aan je gezondheid is je bewust te zijn van wat je eet, om je eigen eten te bereiden (dus geen pre-fab / kant-en-klaar eten),  afwisselend te eten met niet te veel zout, vet en dier. Er is geen enkel ingrediënt dat jou in z’n eentje gezond maakt (“eet veel broccoli”) en er is niet veel voedsel dat jou ziek maakt zolang je het met mate eet – wat al vanzelf gebeurt als je afwisselend eet.

Daarnaast worden hypes gesteund door wildgroei op sociale media; serieus wetenschappelijk onderzoek is soms ontoegankelijk en wordt minder sexy gepresenteerd op sociale media; serieuze wetenschappelijke onderzoeken doen minder stellige en minder smeuïge uitspraken;  voortschrijdend inzicht kan voedingsadviezen veranderen, wat verwarrend kan zijn; statistische correlatie wordt nogal eens verward met oorzaak/gevolg.

Het valt niet mee het kaf van het koren te scheiden als het gaat om voedingsadviezen. Misschien is de beste richtlijn: als er gouden bergen en een stralend uiterlijk beloofd worden, neem het dan met een korreltje zout. Zeezout of Himalayazout naar keus.

Meer foodblogs:

Hier vind je meer Waterlily foodblogs

vrijdag 30 maart 2018

Over Paas-tradities: Niet de Grieken maar de Germanen zijn de moeder der hedendaagse cultuur


…niet de Grieken maar de Germanen zijn de moeder der hedendaagse cultuur…

Oorsprong van pasen


De Germaanse en (Angel-)Saksische godin Eostre (ook wel Oestara of Ostera genoemd) was de godin van de vruchtbaarheid, van het nieuwe begin, van de dageraad, van het voorjaar. Haar naam vind je o.a. terug in de woorden oosten (waar de zon opkomt), Ostern/Easter (Duits/Engels voor pasen), oestrogeen (het vrouwelijke hormoon gerelateerd aan de vruchtbaarheidscyclus).
Tot de taken van Eostre hoorde ook het opstarten van het voorjaar. Op een jaar versliep de godin zich. Het voorjaar bleef uit en het bleef winters koud. De dieren hadden het zwaar. Toen Eostre wakkerschrok, zag ze een vogeltje dat zo verkleumd was, dat het niet meer kon vliegen. Eostre pakte een hazenvacht en gaf dat aan het vogeltje om warm te worden. Maar het vogeltje legde nog wel ieder voorjaar eieren om zich voort te planten. Vandaar de merkwaardige combinatie van een paashaas met eieren, waarmee we ieder voorjaar vieren. De dag dat Eostre wordt vereerd.

Hedendaags pasen


Het oprukkende Christendom annexeerde het Germaanse voorjaarsfeest en integreerde het in de viering van het bijbelverhaal.
Met de moderne ontkerstening kent bijna niemand nog de Christelijke betekenis van pasen, maar de Germaanse rituelen (ei, haas) houden des te hardnekkiger stand en worden in sommige kringen symbool voor "ons Joods-Christelijk erfgoed". Bizarre wending. Met de kerstboom gebeurt bijna hetzelfde. Wonderlijk hoe deze oude Germaanse symbolen over de hele wereld cultuurgoed geworden zijn. Niet de Grieken maar de Germanen zijn de moeder der hedendaagse Europese cultuur.

donderdag 29 maart 2018

Aruba - praktische tips en achtergrond informatie

Ga je voor je werk of een andere niet-vakantie-reden naar Aruba, dan heb je hier wat praktische tips en achtergrond informatie. Ook te lezen als je wél op vakantie gaat.


Inleiding

Aruba is een Caribisch eiland ruim 20 km uit de kust van Venezuela. Met alle prachtige stranden, azuurblauw zwemwater en ruisende palmbomen lijkt het een tropisch vakantieparadijs. Voor veel Amerikanen is het dat ook, en daarmee waan je je soms in de 52ste staat van de VS.
Tegelijk heeft het een andere, ruigere kant: de verwaaide acacia (divi) bomen, de stekelige cactussen in het woestijnlandschap, de scherpe vulkanische- en koraalbodem. Ook de stadjes buiten het pittoreske Oranjestad zijn wat rauwer.

Aruba is een zelfstandig land binnen het Koninkrijk de Nederlanden. Er wonen 110 à 150.000 mensen van diverse komaf (waaronder veel Venezolaanse vluchtelingen). Daarmee komt een gemengde cultuur met Amerikaanse, Latin, Caribische en Nederlandse invloeden. De meestgebruikte taal is Papiamento, maar Spaans en Engels wordt ook veel gesproken - en als je daarmee niet goed uit te voeten kunt, blijk je verrassend vaak met Nederlands terecht te kunnen.
Iedereen is bijzonder vriendelijk en de service is op Amerikaans niveau: heel goed dus.

Klimaat

Aruba heeft een heerlijk klimaat met temperaturen van midden 20 tot in de 30 graden. Het lijkt altijd voorjaar met veel zon en wind. Alleen in de zomer kan de wind afnemen en de temperatuur wat verder oplopen.

Stroom en water

De stopcontacten zijn het Amerikaanse model met twee platte pinnen. Neem een verloopstekker mee. Het net is 110 volt en 60 Herz. Controleer of je apparaten daar tegen kunnen - voor de meeste opladers is het geen probleem.
Het drinkwater wordt gemaakt uit zeewater en is van uitstekende kwaliteit.

Geld

Aruba is duur, veel duurder dan Nederland. De officiële munteenheid is de Arubaanse gulden (AWG) of Florin. Deze is gekoppeld aan de dollar en fluctueert dus tegenover de Euro.
Geld pinnen is erg duur, de lokale banken rekenen een opslag van $5 tot $7,50. Maar eigenlijk hoef je niet te pinnen: je kunt nagenoeg overal betalen met je Nederlandse betaalpas. Of met je creditcard, maar die wordt in dollars afgerekend, dus dat is duurder. Mocht je toch graag wat contant geld op zak hebben, neem dan Amerikaanse dollars mee (daarmee kun je bijna overal betalen) of wissel een paar euro om.

Thuis eten

Omdat het zo duur is, zul je wellicht een aantal maaltijden zelf willen verzorgen. Daarvoor moet je boodschappen doen. De twee bekendste winkels zijn Ling & Sons, en Super Food Plaza. Ze hebben allebei een zeer uitgebreid assortiment van Amerikaanse producten, aangevuld met respectievelijk AH en Jumbo import uit Nederland. Die producten zijn meestal 3 tot 5 keer de Nederlandse prijs. Het goedkoopst zijn de Colombiaanse producten, meestal 2x de Nederlandse prijs. Er zijn ook veel kleinere Chinese supermarkten, die er van buiten vaak slechter uitzien dan ze van binnen zijn.

Uit eten

Rond de grote hotels en downtown Oranjestad zijn veel restaurants voor de Amerikaanse markt. Een beetje verscholen zijn er nog anderen die wat goedkoper zijn en vegetarische opties hebben:

Pura Vita, Italiestraat 40, is onze favoriet. Het hoort bij een sportschool, ziet er fris en modern uit. Er zijn verschillende vegan mogelijkheden die ons erg goed smaakten. De prijs viel alles mee.
Pura Vita
Green Food Service, Oranje plaza (Orange Mall), is een vegan lunch restaurant. Het is klein maar goed verzorgd.
Pizza Bob, naast de parkeerplaats van het Alhambra casino, Manchebo beach. Het geeft je een indruk van het Amerikaanse publiek op Aruba. Zoals een recencist schreef: "voor wie nooit in Europa pizza gegeten heeft, is het best redelijk". Als je voor 7u bestelt, krijg je een 14" pizza voor de prijs van een 12". Dat is ruim genoeg voor twee personen.
Don Jacinto, De La Sallestraat 26, Oranjestad. Colombiaans met alle pracht en praal die er bij hoort. De serveersters dragen traditionele jurken. Het oogt als een kitsch Mexicaans restaurant, maar de menukaart is anders. Voor vegetarisch ben je aangewezen op de bijgerechten, de yuka met Creoolse saus is een aanrader.
Don Jacinto
Kamini's kitchen, helemaal in het zuiden, aan Sero Colorado in San Nicolas. Van buiten lijkt het een soort loods in vrolijke kleuren. Van binnen is het een eenvoudig ingericht restaurant. De sceptor wordt gezwaaid door Kamini, een Trinidadse met Indiase roots. En die invloed is terug te vinden op de menukaart. De Indiase gerechten vonden wij ook het lekkerste. Tip: bestel groente curry en/of 3 bijgerechten.

Verblijf in Quality Appartments

Quality Appartments is een motel-achtige accommodatie, op een soort bedrijventerrein, een paar kilometer ten noorden van Downtown Oranjestad. Die plek blijkt in de praktijk verrassend handig: stad, strand en winkels zijn gemakkelijk bereikbaar.
De kamers zijn een beetje gedateerd, maar prima. De service is uitstekend, alles is heel schoon, er is een zwembad en een bibliotheek. Bij de receptie kun je verloopstekkers, een lan-kabel en strandstoelen lenen.
De gasten zijn een mengeling van oudere Amerikanen die hun verblijf met een paar dagen verlengen, en mensen die voor hun werk op Aruba zijn. Omdat het geen strandhotel is, is de sfeer er minder alsof je in een resort woont.

Als je in het keukentje van je appartement wilt koken, kan het handig zijn zelf wat peper, zout, olie etc mee te nemen. Boodschappen kun je doen bij Ling & Sons, Super Food Plaza, of bij de vlakbij gelegen Eagle Supermarkt (500 meter).
Ook vlakbij zijn de restaurants Pura Vita en Green Food Service. Iets verder zijn Pizza Bob, Santos coffee shop en Machebo beach: ongeveer een km.
Er is een handig doorsteekje naar de Orange Mall en verder als je vanuit QA 30 meter naar rechts loopt, oversteekt, en meteen na Aruba Suplies & Distribution tussen de gebouwen door loopt. Het tweede deel loop je langs de achterkant van de noordvleugel van de Orange Mall, dit is een smal pad over oude pallets.

Een langere wandeling is van de QA naar de Universiteit (3½ km, 45à60 minuten). Hier zie je de wat armere wijken van Oranjestad. Ga bij QA rechtsaf en meteen weer rechts (Caya Soeur Dionysia). Aan het eind rechts en eerste links (Caya Soeur Desideria). Rechtsaf en een lang stuk over Madiki. Linksaf Lucianita. Rechtsaf en aan het eind links een doorsteekje. Meteen weer rechts over de Driemasterstraat. Linksaf Venezuela. Rechtsaf Emma. Linksaf Uruguay. Je loopt tegen het gebouw met de Universiteit aan.

Rondkijken

De noordpunt van Aruba wordt gedomineerd door de vuurtoren. het is leuk daar rond te kijken en het is een goede uitvalsbasis voor een wandeling door het woestijnlandschap tot de oostkust.

Vlak vóór de vuurtoren is aan de westkust het kleine Arisha strand. Hier is het meestal vrij rustig - zowel het strand als het water.
Arisha beach

Machebo Beach heeft meer golven om in te spelen, maar het strand is smal en erg druk door de verschillende resorts die er dicht tegenaan liggen.

Het meest zuidelijke strand is Baby Beach. Het ligt aan een afgeschermde baai, zodat het water er heel kalm is en zand maar langzaam afloopt. Ook dit strand is prachtig gelegen, al vormen de schoorstenen van de olieraffinaderij een merkwaardig contrast. Baby Beach ligt 30 km tzv QA, en je doet er met de auto bijna een uur over om er te komen.

Nationaal Park Arikok is mooi, maar met een gewone auto kun je er maar een klein stukje van bereiken - en zelfs dat gaat moeizaam door de diepe waterafvoergeulen. Je kunt je afvragen of het de entreeprijs ($11 pp) waard is, of dat je liever wat rondwandelt bij de vuurtoren of bij Baby Beach. Dat gezegd hebbend: Boca Prins is een spectaculaire baai.
Boca Prins

Downtown Oranjestad is een wat rommelig geheel van verwaarloosde gebouwen, kleine oude huisjes, kitscherige malls en dan toch ook weer leuke doorkijkjes. De moeite waard zijn Fort Zoutman, de haven en het toeristentrammetje.
Downtown

woensdag 7 februari 2018

Maleisie-Thailand Reisverslag 2018/3 Op bekend terrein (Penang & Satun)

Penang, Maleisië



We bleven 6 dagen op Penang, Maleisië. Hier waren we al vaker geweest en ook dit keer genoten we van de goede voorzieningen en de grote verscheidenheid aan culturen. We vereerden alle drie de bevolkingsgroepen met een bezoek.
We bezochten een grote Chinese tempel in de bergen, die een kruising tussen een bouwplaats en een pretpark was. We bezochten de floating mosque, een moskee gebouwd op palen boven het water. Het was er stil en sereen. We bezochten iedere dag Little India. Daar snoven we de sfeer op van India. De sari- en stoffenwinkels. De Bollywood muziek die keihard uit de dvd-winkels schalt. De levensmiddelenzaken met alle Indiase ingrediënten en kruiden. De restaurants waar het eten beter is dan waar dan ook in India. Dames in sari en spijkerbroek hand in hand.

Geen bevolkingsgroep maar wel onlosmakelijk verbonden met de  geschiedenis van Penang is het koloniale verleden. In het kader daarvan bezochten we de protestantse begraafplaats. Daar werd een rondleiding gegeven. Met een groepje van zo’n 15 mensen volgden we de gids, die erg veel wist en dat leuk vertelde. Veel historische weetjes over de geschiedenis van Penang en haar bewoners. Zo lag hier de Schotse advocaat James Richardson Logan, die de naam “Indonesië” heeft bedacht. Hij vond dat het land recht had op een eigen naam, analoog aan bv Polynesië, ipv een Nederlandse naam (gebruikelijk was toen Nederlands-Indië, Malesische Archipel, Nederlandsch Oost Indië, Indië, de Oost, Insulinde). Het zou tot begin 20ste eeuw duren voor de naam Indonesië werd opgepikt door de onafhankelijkheidsbeweging. En zo blijft ook Indonesië terugkomen, deze reis, net als India.


Op Penang was het al even bewolkt als op Sumatra, maar wel een stuk warmer, zo net boven de 30 graden. Twee en drie jaar geleden troffen we hier steeds een strakblauwe hemel.

Satun, Thailand



Dit was de vijfde keer dat ik van Penang naar Thailand ging. En weer was het via een andere route met andere modi van vervoer. Dit keer de super fast ferry via Langkawi. Ondanks de lange wachttijd op Langkawi was het een hele gemakkelijke en ontspannen modus van vervoer.

Al meteen bij aankomst in Satun, terwijl we naar ons hotel wandelden, keken we naar dingen die we herkenden, dingen die nieuw waren, dingen die veranderd waren of verdwenen waren. Voor zo’n stoffig stadje waar nooit iets gebeurt, was er eigenlijk best veel veranderd. Maar gelukkig niet bij ons hotel. Dat is nog even aangenaam, rustig en comfortabel als altijd.

De Qatari, Indonesiërs en Maleisiërs zijn bijna altijd allemaal heel vriendelijk, aardig en behulpzaam tegen ons geweest. Maar de stralende hartelijkheid van de Thai overtreft alles. De spreekwoordelijke Thaise glimlach is nog steeds hartverwarmend.

We werden geregeld nageroepen, toegeroepen en gegroet door voorbijgangers. Ook als die op de brommer zaten. Zo waren er drie jongelui op de brommer die wat riepen. Wij zwaaiden vrolijk terug. De twee meisjes achterop maakten het Thaise gebaar van de handen voor de borst vouwen en een lichte buiging voorover. En ze deden dat precies synchroon. Achterop de rijdende brommer.

Qua begrijpelijkheid is het andersom, er zijn nauwelijks Engelse opschriften en er wordt nauwelijks Engels gesproken. Er komt heel wat gebarentaal bij kijken.

Ons favoriete lunchrestaurant was er niet meer. Een zoektocht rond het nieuwe marktgebouw leverde niets op. Maar toen we informeerden bij buren van de loods waar het in gevestigd was – door een foto van de uitbaatster te tonen en te wijzen naar haar loods en vragend te kijken – was er koortsachtig overleg. Het ons uitleggen lukte ook niet vanwege de taalbarrière. Dus werden we samen achterop een brommer gezet en naar de nieuwe locatie van het restaurant gebracht!

Onze “vrienden” hier, de eigenaresse van het hotel, de uitbaatster van het lunchrestaurant, het meisje van het koffiestalletje, waren allemaal blij ons weer te zien en stopten ons allemaal eten toe.

En zo genieten we van een kopje koffie op onze veranda, een wandeling door de landelijke buitengebieden of een mangrove-bos, verkoeling bij het zwembad, een boekje lezen, een overheerlijke Thaise curry.

Voor het eerst deze reis in Zuid Oost Azië hadden we overwegend zon en serieus hoge temperaturen. En het geluk van een heldere avond met de maansverduistering, waardoor we langzaam de schaduw van de aarde over de maan zagen trekken. De maan werd roder, leek bolvormiger, iets doorschijnend, een melkglazen ei waar het konijn in zat.

donderdag 25 januari 2018

Indonesie Reisverslag 2018/2 Rondje Noord Sumatra

We reisden van Doha via Kuala Lumpur naar Medan. Een achtbaan van culturen, ontwikkelingsniveaus, klimaten, tijdzones en dag-en-nacht-ritmes.
Sumatra is ongeveer even groot als Spanje, en heeft ongeveer evenveel inwoners, maar een infrastructuur die vele malen slechter is. De kunst zit in de beperking: we hebben een niet-ambitieus rondje door de provincie Noord Sumatra uitgetekend.

Medan stad


De eerste indruk van Medan is groot, druk, vervuild en lawaaierig. Bij nadere kennismaking blijft dat allemaal staan, maar zie je ook de ontspannen en vrolijke mensen die je altijd stralend toelachen of een praatje maken. Niemand maakt zich kwaad in het verkeer, iedereen is behulpzaam. Er zijn leuke vegan eethuisjes en hippe/moderne coffeeshops. De sfeer is heel prettig en als het lawaai en de vuile lucht je niet zouden verjagen, zou je er zo een tijd willen blijven.


Je zou de ontwikkeling van een land kunnen afmeten van het aantal meters dat je over een trottoir kunt lopen. In Medan zijn de trottoirs meestal versperd door uitbouwen van winkels, geparkeerde auto’s, motoren of becaks. Of bergen bouwmateriaal, modder of rioolslib. Anders zitten er wel gaten in waardoor je in het riool kunt vallen, zijn er onverwachte op- en afstapjes, liggen er tegels los of steken er stukken betonijzer uit. En je moet oppassen voor overhangende luifels en borden waar je je hoofd tegen kunt stoten.
Meestal loop je dus maar op de rijbaan, tussen de geparkeerde auto’s en het verkeer in, hopend dat ze je zien. Verkeer bestaat vooral uit (relatief nieuwe) auto’s, motoren en becaks – motoren met een karretje ernaast die je huurt voor een ritje.

Na een ochtend sightseeing (koloniale gebouwen en Little India) namen we een becak terug naar huis. Het was de oudste en gammelste van Medan. De motor sloeg geregeld af, het voorwiel spoorde niet, de benzine kwam via een slangetje uit een jerrycan die aan de voorkant hing. De sigaret die de chauffeur nonchalant tussen z’n vingers had, hing er bijna tegenaan. We reden langzamer dan de verkeersstroom waardoor invoegen, weven en ritsen niet lukte – cruciaal in het verkeer hier. Bovendien moesten we vanwege de eenrichtingswegen omrijden, en dat deed onze chauffeur op een gigantische manier. Zodoende zaten we minstens een half uur in het drukke verkeer en de uitlaatgassen voor hemelsbreed 2½km. Maar we stonden géén doodsangsten uit en de lucht sloeg niet op je ogen en keel. En de mensen leken zich niet druk te maken, gaven elkaar de ruimte, toeterden niet te veel, en forceerden zich niet in ieder gaatje.

Bukit Lawang jungle



In het algemeen voel ik me niet zo thuis in plaatsen die enkel en alleen bestaan uit toerisme. Bukit Lawang is zo’n plaats. Een dorpje aan de rand van een groot Nationaal Park, waar ooit een orang oetan rehabilitatie centrum was. Bij het voederen kon je de dieren gemakkelijk zien en dat trok veel bezoekers. Het voederplatform is sinds een paar jaar gesloten, de half-wilde orang oetans die nog in de buurt zijn, kun je alleen zien op lange, dure jungle trekkings – en dat is wat iedereen hier “doet”.

            (Zie hier het verhaal van mijn jungle trek in 2000) 

Bukit Lawang heeft stand gehouden dankzij de rivier, de frisse lucht, en als backpacker ontmoetingsplek. Wij verbleven een paar dagen aan de strip langs de rivier – in het enige guesthouse/restaurant dat goed bezet was, waar het gezellig was en waar het eten goed was.

Daarna verhuisden we voor twee dagen naar een verder stroomopwaarts gelegen guesthouse, 1km over een smal voetpad voorbij de laatste voorzieningen. Daar had je een beetje het gevoel in de jungle te zitten, maar dan wel van bijna alle gemakken voorzien. Het guesthouse was smaakvol gebouwd met veel hout en bamboe, en het Indonesisch-Australische stel dat het runde, zorgde voor een rustige, ontspannen sfeer. 



De altijd razende rivier, de groene wand van de jungle aan de overkant, een kopje koffie op de brede veranda – hier zouden we wel aan kunnen wennen. 's Avonds een gezamenlijke maaltijd, 's nachts aardedonker, 's ochtends het geluid van aapjes en insecten. Na een regenbui stegen uit het oerwoud langzaam flarden damp op, die samensmolten tot wolken in wording.

Berastagi vulkanen


Berastagi is een voormalig Nederlands hill station op 1400m hoogte, nu een uitgestrekt plattelandsstadje dat leeft van de verbouw van groente en van Medanners die er een frisse neus halen op zondag. Het handje westerse toeristen valt er niet op. Je hebt uitzicht op twee vulkanen waarvan er één erg actief is. Het beklimmen van de andere is wat iedereen hier “doet”. 
Wij gingen rechtstreeks naar de warme bronnen aan de voet ervan, om lekker te badderen.

De groothandelsmarkt waar de verse producten van het land werden verhandeld, was een fascinerende chaos waar enorme hoeveelheden wortels, kool en aardappelen verhandeld werden en vervoerd op krakkemikkige vrachtautootjes die steeds vastzaten in de modder.

Een excursie naar de voet van de actieve vulkaan kon vanwege het weer niet doorgaan. Er waren dagelijks erupties, maar omdat die maar 5 minuten duurden moest je geluk hebben die te zien. Op een gegeven moment had de berg zich verhuld in zijn eigen aswolk. Toen het later ging regenen, sloeg een dunne laag as neer op het dakterras van ons guesthouse.

Net als het regenwoud maken de vulkanen hun eigen wolken. Stoom die ontsnapt stijgt op en vormt een wolk, die om de top blijft hangen.

Weerbericht: het was koeler dan gewoonlijk (“slechts” 23-26 graden) en meestal bewolkt. Er brak zo nu en dan een mager zonnetje door, en de meeste buien vielen ’s nachts.

Lake Toba meer



Het reizen op Sumatra gaat niet moeizamer dan in India, maar daar weet ik toch beter hoe de dingen werken en hoe je er mee om moet gaan. Een nacht in een hotel dat niet bevalt, een dag ziek, een busstation waar je serieus lastiggevallen wordt, een maaltijd die verkeerd valt, een creditcard die geweigerd wordt - het was in het begin wel pittig en bij tijd en wijle vermoeiend.

Des te prettiger dat we volkomen konden ontspannen aan de oevers van Lake Toba. Dat is wat iedereen hier “doet”. 
We bleven een kleine week, en het was de eerste plek op Sumatra waar we ons helemaal thuis voelden. De sfeer was er ontspannen, de natuur schitterend. Ook al was het er toeristisch, er was genoeg couleure locale met de kleine winkeltjes en cafeetjes, en zo gauw je van de hoofdweg afging, stond je tussen de waterbuffels en de rijstvelden.

maandag 1 januari 2018

Qatar Reisverslag 2018/1 Stopover in Qatar


Aankomst


2018 begon niet zo goed. We stonden in een lange rij voor de immigratie op het vliegveld van Doha toen de figuurlijke klok sloeg. We wensten elkaar en de Maleisische moeder en dochter voor ons in de rij gelukkig nieuwjaar, maar vreemd genoeg bleef het verder erg stil en gelaten onder de duizenden wachtenden. Na een aangename vlucht met Qatar Airways viel Doha Airport erg tegen. Het mocht dan een prijs gewonnen hebben en overdadig veel glitter, marmer en luxe bevatten, de organisatie klopte voor geen meter. Er waren maar twee balies open voor de immigratie en de rij vulde al snel de hele aankomsthal. Mannen met portofoons renden druk gebarend heen en weer om wachtenden hun plek te wijzen, maar ze hadden beter paspoorten kunnen gaan afstempelen. Soms werden gezinnen met kinderen uit de rij gehaald, een enkele keer werd een extra balie geopend, maar dat kwam dan alleen ten goede aan de mensen die achterin stonden. Anderhalf uur stonden we te staan en te schuifelen voor we eindelijk aan de beurt waren.

Van de weeromstuit vergat ik vervolgens mijn tas nadat ik Ryali gepind had achter de bagageband. Ik merkte het pas toen we al voorbij de douane waren. Het viel niet mee me een weg terug te praten langs de beveiliging en de douaniers, want dat is natuurlijk eenrichtingsverkeer. Gelukkig lukte het en stond mijn tas er nog. De explosieven opruimingsdienst was nog niet uitgerukt.

Rondkijken


Behalve dat we een beetje vermoeid waren van die nachtelijke escapade, genoten we ervan de volgende dagen Doha te bekijken. We wandelden heel wat rond, voornamelijk door het oude centrum waarnaast o.a. een nieuwe souk en een prachtig museum gebouwd waren.

De nachten en ochtenden waren koel en heiig, maar midden op de dag was het zonnig en aangenaam.

De Qatari liepen meestal in traditionele  klederdracht. De mannen in witte jurken met een sjaal om het hoofd, de vrouwen in dunne zwarte mantels over hun gewone kleding. Daaronder hoge hakken of strakke spijkerbroeken. Hoofddoek en grote zonnebril konden niet verhullen dat er veel aandacht aan make up en uiterlijk besteed werd. Er waren overigens ook veel dames zonder hoofddoek.  We zagen een groepje jonge moeders in een café aan de waterpijp, terwijl hun Filipijnse kindermeisjes even verderop de kinderen bezighielden.

Vegetarisch eten in het Midden-Oosten betekent al gauw Indiaas of Libanees fast food. Het was soms even zoeken, maar dan was het smullen van hummus,  falafel, foul en lekkere pita broodjes.

Qatar in ontwikkeling


Een fascinerende en gevarieerde stad met nieuw en oud, rijk en arm, oosters en westers, noordelijk en zuidelijk. De mensen die je ziet lijken uit alle windstreken te komen en daarmee zijn winkels en restaurants al even afwisselend.

Doha is bezig met een inhaalslag om het oliegeld te investeren en Dubai en Abu Dhabi te evenaren als handelscentrum. Ze hebben nog een weg te gaan. In het oude stadscentrum is het een bonte lappendeken van 25 jaar oude hoogbouw, een enkel modern gebouw, heel veel bouwplaatsen waardoor straten en stoepen versperd zijn, onverharde stukken land die als parkeerterrein gebruikt worden, een paar vergeten blokken van 50 jaar oude laagbouw – en overal tussenin charmante oude moskeetjes die wegvallen tussen de hoogbouw. Hier en daar blokken met wat levendigheid op straatniveau, maar meestal houdt dat niet over. In zijstraten met oude panden waarin oude kleine winkeltjes en restaurantjes zitten, is 's avonds nog het meeste reuring.

Van de boycot door Saudi Arabië is op het oog niets te merken (hoewel we in de krant lazen dat de huizenprijzen daalden). Dat ons buurtwinkeltje een ochtend geen yoghurt had, kwam eerder door gebrekkige logistiek. En daarmee heb je de makke te pakken. Een groot vliegveld bouwen, heel veel stadsbussen kopen, een zebrapad schilderen op een zesbaans weg, een metro intekenen - dat lukt allemaal wel. Maar het dan goed regelen, genoeg Marechaussee oproepen, eenduidige kaartjes met busroutes publiceren, automobilisten leren te stoppen voor het zebrapad – dat is een stuk moeilijker. Overal wordt aan de metro gewerkt maar een openingsjaar durft niemand meer te noemen. Het zelfde geldt voor het Nationaal Museum in aanbouw. 
Als ik de FIFA was, zou ik me zorgen maken over het WK 2022.

India connectie


Het is een goede gewoonte om iedere reis naar een Indiaas aspect te kijken. In Qatar is dat wel heel gemakkelijk. Van de 2 miljoen inwoners komt bijna de helft uit wat vroeger Brits India was. Toen we de vliegtuigtrap afliepen, stond al een ploegje Indiase schoonmakers klaar om aan boord te gaan. Ze hebben meestal de zware beroepen in de bouw. Schoonmakers, koks en ook winkeliers komen meestal uit zuid Azië. De vrouwelijke gastarbeiders komen vooral uit de Filipijnen en zie je bv achter de receptie en als kindermeisje.

Nieuwjaarsavond gingen we uit eten in de Saravana Bhavan, de internationale keten van Indiase restaurants die nu ook in Amsterdam zit. Het zat er helemaal vol met Indiase gezinnen, wij waren de enige niet-Indiërs. Het eten was authentiek zuid Indiaas op een bananenblad en bijzonder lekker.


vrijdag 1 december 2017

De wereldwijde vegetariër (1) India

India

Voor vegetariërs is India het paradijs op aarde. In geen enkel land ter wereld is het zo gemakkelijk om vegetarisch eten te vinden. Hoewel de Indiërs zelf met het stijgen van de welvaart steeds meer vlees (vooral kip) eten, is er een enorm aanbod van vegetarisch eten. En wat misschien nog belangrijker is, iedereen begrijpt meteen wat je bedoelt als je om veg vraagt. Áls er in een plaats een restaurant is, is er ook een veg restaurant te vinden.

Noord Indiase Thali

lunch

Voor de lunch is de beste keus meestal een thali (Noord India) of een  meal (Zuid-India). Veel restaurantjes serveren hier rond de middag grote hoeveelheden van. Om het beste restaurant te kiezen ga je bij de uitgang van het busstation staan; aan de overkant van de weg is een rijtje thali-restaurants; waar het het drukste is, schuif je aan. Het is volkomen normaal dat je je tafel deelt met anderen. Soms moet je vooraf bij de kassier een voucher/coupon kopen voor een maaltijd. De special heeft dan een extra toetje. Aan de ober hoef je nauwelijks iets te zeggen, misschien "meal" en je vinger opsteken. 

In Zuid-India krijg je een bananenblad voor je. Daar sprenkel je een paar druppels water op die je er dan weer afveegt of schudt. Verschillende obers komen langs die achtereenvolgens rijst, droge groentes en sambar uit een grote schaal of emmer scheppen. In principe scheppen ze onbeperkt bij, tenzij je een limited meal besteld hebt. In sommige regio's krijg je chapati of een ander soort brood pas als je je rijst ophebt - in andere regio's is het precies andersom.
Zuid Indiaas Meal

In Noord-India krijg je een roestvrijstalen schaal met roestvrijstalen bakjes met de verschillende gerechten, die iets meer sauzig of curry-achtig zijn, en een dahl. De ober schept dan de rijst daartussen op.

diner

Restaurants zijn onderverdeeld in veg en non-veg, en dat staat vaak met een bordje aangegeven. In grotere hotels zijn vaak twee verschillende restaurants met volledig gescheiden keuken, de een veg en de andere non-veg. Oh ja, in kleinere plaatsen in Zuid-India wordt de term hotel ook wel gebruikt voor een heel klein restaurantje. Voor een overnachting zoek je een opschrift boarding of lodging. In kleinere plaatsen zijn er soms weinig of geen restaurants, en de kwaliteit kan ook erg uiteen lopen. Aarzel niet om te gaan eten in een groot hotel (als dat er wel is) – zelfs als de hotelkamer ver boven je budget is, is het eten in het uitstekende restaurant goedkoop.
Voor mij bestaat het ideale menu uit een groente-curry/masala, een dahl-variant, rijst en plain naan of chapati. Als je groente in een saus ligt, heet dat gravy (dat verwijst niet naar "jus"), anders is het dry ("dry" staat niet altijd op de kaart maar kan op verzoek gamaakt worden).


In een Indiaas veg restaurant staat geen ei op het menu. Veel gerechten zijn veganistisch, behalve het schaaltje met yoghurt/curd en het toetje. In Noord-India zit er door veel gerechten ghee, een soort boter. Biriyani wordt met veel ghee gemaakt en is in het zuiden vooral populair bij bruiloften en partijen. Dan zit er vaak ook kip of schaap doorheen.

koffie en ontbijt

Koffie is in Noord-India niet erg gangbaar en soms moeilijk te vinden. In het zuiden is het overal te krijgen. Tot voor kort was dat vaak een klein schepje oploskoffie in een bekertje buffel-melk met veel suiker - vraag om half sugar of suger separate en extra strong. Tegenwoordig is er gemakkelijker filterkoffie te krijgen van behoorlijke kwaliteit.

Als je je eigen ontbijt wilt verzorgen, zijn de meeste ingrediënten gemakkelijk te krijgen. Havervlokken of white oats zijn in ieder kruidenierswinkeltje te koop. Fruit op iedere straathoek. Yoghurt/curd soms in een "supermarkt" en vaak in een klein winkeltje met melkproducten. Ze zijn te herkennen aan een koelkast en een reclamebord voor het regionale melk-merk. Met een beetje rondvragen vind je ze wel. In geval van nood kun je mango-sap over je havervlokken gieten.

De pakjes koffie die je bij de kleinere kruidenierswinkeltjes kunt kopen, bestaan meestal voor een groot deel uit chicorei, surrogaatkoffie. Gemalen (pure) filterkoffie is in Zuid-India te koop in de grotere steden, bij outlets van de verschillende koffiemerken. Daar wordt het ter plekke voor je gemalen en verpakt. Sommige "supermarkten" verkopen die pakjes ook. 
Narasus's coffee outlet, Coimbatore


meer

Meer afleveringen van de wereldwijde vegetariër.

zondag 19 november 2017

Reisblog 40 jaar later (4/4) Marokko, in je eigen wereldje

2017-2018. Deze winter is het 40 jaar geleden dat ik mijn eerste grote reis maakte. Wat is er veel veranderd. In hoe ik zelf reis. En in hoe jonge mensen reizen.
We waren weken onbereikbaar. Poste restante betekende dat iemand een brief stuurde naar een postkantoor, waar je dan ging kijken of er wat voor je lag. Naar huis bellen deed je een keer per reis vanuit de internationale telefooncentrale, achter het hoofdpostkantoor, herkenbaar aan de zendmasten op het dak. 
Zelfs Email en Internetcafés bestonden nog niet. Laat staan dat je een laptop, tablet of smartphone meeneemt en er van uit gaat dat er wifi in het hotel is. Je had je eigen mini-wereld, zonder veel afleiding door het thuisfront.


Essaouira 

Intussen reisde ik samen met Ewin, een Canadese jongen. We namen de bus van Marrakesh naar Essaouira, een klein stadje aan de kust. Daar sliepen we eerst in een hotel, maar de volgende dag gingen we plas­tic zeil en een watercontainer kopen, om ons in te richten op een kampeer­partij aan het stra­nd. Een stukje buiten de stad vonden we een mooi plekje in de duinen. Daar gezellig thee en een soepje gebrouwen, en vroeg onder de wol.
Tja, en toen we de volgende ochtend wakker werden... waren al onze spullen verdwenen! Een duidelijk geval van beroofd zijn. Ik had m'n paspoort en het meeste geld in m'n slaapzak, dus dat was er nog. Ewin had ook een deel van z'n geld daar. Zijn paspoort en mijn bril lagen iets verderop. Maar behalve de kleren die we aanhadden, was alles weg - zelfs onze schoenen!

Dat werd dus een trieste (af)gang, terug naar Essaouira. Eerst dronken we even wat op een terrasje om van de schrik te beko­men. Toen naar de politie om aangifte te doen. Daar liepen ze al niet hard voor ons, maar toen ze hoorden dat we onze pas­poorten nog hadden, waren ze helemaal niet meer geïnteres­seerd - dat was ongetwijfeld de reden dat ze Ewin's paspoort hadden achtergelaten. En mijn bril uit een soort compassie. Jammer dat ze m'n contactlenzen waarschijnlijk niet herkend hadden en er het­zelfde mee gedaan. Daar had zéker niemand anders wat aan.

Vervolgens gingen we maar uitgebreid inkopen doen - schoenen, sokken, toiletspullen, pennen, etc. En toen namen we maar weer onze intrek in een hotel.
We bleven nog ruim twee weken in Essaouira, en ondanks het idee dat degenen die ons bestolen hadden, hier waarschijnlijk gewoon rondliepen en het van ons wisten, was het een zeer genoeglijke tijd. De 'locals' vielen je hier ook veel minder lastig dan in Marrakesh - of was dat omdat ze wisten dat alles ons al ontstolen was?

We zaten veel op terrasjes in de zon, pratend met toeristen die kwamen en gingen, en dronken thee met zoetigheid; 's avonds werd er geregeld wijn gedronken; soms was er ergens popmuziek te beluisteren; er waren een aantal leuke restau­rantjes en cafés; in ons hotel voelden we ons prima thuis.
Onder de komende toeristen waren ook Sean en Gill, een stel uit Londen waar we veel mee optrokken, en die ik later dat jaar nog zou 'gebrui­ken' als eerste ingang om een plek in Londen de vinden.


De stad had een fort-achtige versterking naar de zee, vanwaar het een mooi uitzicht was op de vaak spectacu­lair uit elkaar slaande golven. Er was een sfeervol haventje, waar 's ochtends de vissersvloot binnenliep, en je verse, op houtskool ge­grilde vis kon krij­gen met brood en een schijfje citroen. Het centrum bestond uit smalle steegjes langs de wat grotere straat waar de meeste winkeltjes en marktkraampjes waren. 
haventje waar je verse vis kon krij­gen 
De meisjes/vrou­wen in Marokko waren erg mooi. Eerst dacht ik nog dat ik dat vond omdat je er in Tunesië en Alge­rije zo weinig van zag, maar ook andere reizigers viel het op. Zelfs de vrouwen met sluier, waarvan alleen de ogen zichtbaar waren, mochten er wezen. Op de markt werd ik eens door zo een paar ogen bijna verslonden. Maar natuurlijk kon er nooit iets gebeuren. Zelfs buitenlan­ders ónderling moesten zich netjes gedragen: ik zag een paar­tje dat in het openbaar zoende een keer de huid vol gescholden worden.
vrouw met sluier, alleen de ogen zichtbaar 
Een paar heerlijke weken. Je zou zo vergeten nog ooit te vertrekken, zo in je eigen wereld. Maar het moest er toch een keer van komen. Samen met Sean en Gill had ik een datum geprikt, 16 februari.

De laatste dag hing er een weemoedige sfeer, maar werden we nog eens getrakteerd op een extra mooie zonsonder­gang en extra mooie golven. Op het dak van het hotel vierden we een klein afscheidsfeestje. 
1978, 1994, 1997, 2017


Meer van 40 jaar geleden

Reisblog 40 jaar geleden (1 t/m 4)