Trang Botanical Gardens
De Botanische Tuin van Trang. Een misleidende naam, want
het is een stuk onaangetast oorspronkelijk regenwoud, en daar is nog maar heel
weinig van over in Thailand. In het zuiden is bijna alles gekapt voor rubber-
en palmolieplantages. Vijf jaar geleden was ik er diep van onder de indruk. En
nu weer.
De wandeling begon met een pad door het regenwoud. Donker
en koel, tussen planten met enorme bladeren, onder 40 meter hoge bomen. Varen-
en palmachtigen, dikke kronkelende lianen van 1 tot 25 cm doorsnede. Geritsel
en vogelgeluiden.
Dan kwam de canopy walk, vijf in hoogte variërende
hangbruggen tussen ijzeren torens. Zo zag je de verschillende "lagen"
van het bos, met ieder hun eigen soort begroeiing. Het gaf een idee van hoogte
en de diepte, van de macht en kracht van het bos. Een beeld dat onmogelijk met
je camera was vast te leggen.
Zo nu en dan hoorde je wat ritselen, maar je zag zelden een dier. Alleen een paar hagedisjes en grote vlinders en libellen lieten zich zien.
Thale Noi (Phatthalung)
Zes jaar geleden waren we een paar uur in Thale Noi, vanuit Phatthalung. Deze keer verbleven we twee dagen in het dorp, dat grotendeels bestaat uit huizen op palen met steigers als voetpaden ertussen. Het was allemaal heel pittoresk, maar qua eten was het aanbod... mager.
Hoogtepunt was een boottocht over Thale Noi, een meer en
vogelreservaat.
Met een ranke longtailboot voeren we het meer op. Dwz
veel motorlawaai en een ongemakkelijke lage zit. Eerst afwisselend open water
en groene vlaktes van waterplanten. We gingen dwars door de waterplanten heen,
alsof je over land voer. Er waren talloze vogels: tweekleurige ooievaars, rosse
reigers, kleine aalscholvers en grote blauwe waterhoenen zaten op of tussen de
waterplanten.
Vervolgens voeren we een bos in. Een absoluut highlight. Het was geen moeras of
mangrove, de bomen groeiden in het water, en waren op hun beurt weer begroeid
met klimplanten en andere parasieten. Het was geen "donker bos" maar
sprookjesachtig genoeg, zo uit het water groeiend. Hier ging de motor uit en
gebruikte de bootsman de polsstok.
Daarna weer door meer open gebieden. Een kudde waterbuffels was aan het grazen
in het groene veld van waterhyacinten. We lagen er even stil naast. Je hoorde
ze smakken.
Surat Thani
Met de stoptrein was het 4½ uur naar Surat Thani, een
lange zit op de harde houten bankjes, met een warme föhn door de open ramen.
Surat Thani is vooral bekend als overstapplaats van
nachttrein en vliegtuig op de boot naar Koh Samui en Koh Phangan. De meeste
toeristen blijven er maar een dag - of nog minder. Wij bleven vijf dagen.
We maakten twee boottochten door het groen aan de
overkant van de brede rivier. Dit was een delta met brak water waar vooral
palmbomen groeiden. Waar de palmbladeren elkaar boven het kanaal raakten, was
het alsof je door een lange groene tunnel voer, met licht aan het einde. Tijdens
de ochtend-vaart zagen we o.a. varanen, tijdens de avond vuurvliegjes.
Verder wandelden we rond door de tamelijk uitgestrekte stad en kwamen zo in verrassend levendige wijken. We profiteerden van de aanwezigheid van zoveel toeristen door te eten in restaurants die veel groente en veel vegetarische gerechten hadden. We dronken koffie in zowel heel eenvoudige als heel pretentieuze cafés. En we zaten in een heerlijk hotel.
Prachuap Khiri Khan
Met de sneltrein (1/dag) was het 4½ uur naar Prachuap. Redelijk comfortabele stoelen, maar je moest wel een sweater aan vanwege de a/c.
Terug op bekend terrein. Prachuap wordt door steeds meer toeristen ontdekt. Het is een rustig stadje vol met rustige ouderen uit Nederland, Frankrijk en Scandinavië. We spraken een jonge backpacker die er per ongeluk verzeild geraakt was en zich afvroeg wat ze in hemelsnaam moest doen. Geen zip-linen, geen bungie-jumpen, geen white-whater-rafting, geen nachtelijk uitgaansleven...
Kortom, ideaal voor ons. En er is best wat te zien en te doen in de omgeving. Het stadje ligt aan prachtige half ronde baai waar wat vissersboten dobberen en we in de verte dolfijnen zagen.
Vier km ten zuiden van Prachuap Kiri Khan, in de volgende baai ligt het strand van Ao Manao. Het ligt binnen een luchtmachtbasis en is daarom gevrijwaard van projectontwikkelaars en verkopers.
Om niet in de hitte te lopen, wilden we heen met de tuk-tuk, die hier de vorm hebben van een motor met zijspan. Het duurde even voor er een langskwam die we konden aanhouden. Bij de ingang van de militaire basis moesten we ons registreren. Het terrein was groot, goed onderhouden, netjes, ruim en groen. Geen straf om hier gelegerd te zijn. We staken de landingsbaan over, reden langs de golfbaan, en toen was links het strand achter een rij naaldbomen.
Een prachtig breed strand. Vlak wit zand, blauw water, wat rotsen op de uiteinden van de baai en een rotseiland midden ervoor. Het prototype van een tropisch strand. Onder de bomen waren stalletjes en stoeltjes. Er waren wel tientallen bezoekers, maar op dit grote strand leek het toch bijna leeg. Aan de andere kant van de weg waren toiletgebouwen waar we ons konden omkleden. Het water was helder, deinend, warm. Echt een warm bad. We dobberden er een tijd in rond en werden door de deining een halve meter op en neer getild.
Toen was het alweer 5u en tijd om terug naar huis te gaan. Intussen was het net genoeg afgekoeld om rustig te kunnen lopen. Vogels, kippen, eekhoorntjes maakten gebruik van het groen en de ruimte tussen de barakken.
We gingen naar Kui Buri Nationaal Park waar we het echte safari-gevoel
hadden: uren en uren staarden we over de vlakte in afwachting van olifanten.
Bij de ingang van het park waren we overgestapt op een pick-up truck met “gids”.
We reden over een zandweg door een vrij droog en dus niet
al te dicht bos. Mooi. We staken een paar beddingen door die half gekanaliseerd
en afgedamd waren, zodat er een plas water stond. De bekende vogels: reigers en
ooievaars. Na een kwartiertje, waarin we maar één andere jeep zagen, stopten we
bij een uitzichtpunt - daar stonden zeker 25 jeeps en >50 mensen. Ze stonden
wat ik groepjes te keuvelen op schaduwplekken. Aan de ene kant keek je over een
waterplas, aan de andere kant over een kaal stuk laagvlakte.
Zo bezochten we nog twee
uitkijkpunten. Het groepje werd intussen kleiner en rustiger. Het was warm en
droog en stil. Aan de ene kant werd met het naderen van de schemering de kans
groter dat een olifant of buffel zich nog zou laten zien, aan de andere kant
tikten de minuten weg.
Maar ze lieten zich niet zien, volgens de rangers was het te warm om uit het
bos te komen. Eigenlijk voelde het ook wel goed dat de natuur bepaalde wat er
gebeurde.
In deze blog zijn 2024 en 2025 met elkaar verweven