zondag 20 maart 2016

Brood blog 3: Zelf Paasbrood maken!

Het broodrecept van Waterlily is ontworpen voor eenvoud, gemak en smaak. Maar het kan ook dienen als basis voor een speciaal brood.

Voor een paasbrood beginnen we met mengen, kneden en laten rijzen zoals in het basisrecept.
Terwijl het rijst, verven we vier eieren met paaseiverf, of door er een druppeltje food colouring op te laten vallen.


Na de eerste rijs en het platdrukken, verdeel je het deeg in twee stukken. Van het eerste stuk maak je twee langwerpige dunne deegslangen. Die vlecht je door elkaar zoals op de foto (op het bakpapier). Stop de eieren in de openingen.


Het tweede stuk deeg halveer je weer. Van de helft boetseer je het lijfje van de haas. De rest halveer je. Van één helft rol je een bolletje. Dat wordt het gezicht. De rest halveer je en van iedere helft maak je een langwerpig oor. Met een scherp mes teken je de plooiing in de oren, de snorharen en de voetjes. Met een rozijn en een noot kun je ogen en tanden maken.

Laat de paashaas en het vlechtbrood opnieuw rijzen zoals in het basisrecept beschreven.
Voor je het in de oven zet, kun je het vlechtbrood desgewenst insmeren met een opgeklopt ei.

Prettige paasdagen!

 






zaterdag 27 februari 2016

India Nieuwsbrief, Jaargang 2016, Aflevering 4: Omhoog door de slurf

De communicatie met de Thai gaat vaak moeizaam vanwege het taalverschil, maar ik wil wel benadrukken hoe vriendelijk en behulpzaam ze bijna altijd zijn. En zoals altijd en overal: hoe minder toeristen er zijn, hoe meer dat op gaat. De befaamde Thaise glimlach kan je dag in een keer helemaal goed maken.

Trang

Mijn eerst stop was Trang, aan de westkant. Een middel-grote stad met enkele tientallen toeristen, meest op doorreis naar stranden of eilanden.

De noordoost moesson had een paar zeer heftige dagen, waardoor regen en wind over de bergen heen ook aan onze kant van het schiereiland viel. Erg ongebruikelijk. Bewolking, gemiezer, regen en tropische stortbuien wisselden elkaar af. Maar koud was het nooit.

Met een grote Chinese bevolking werd het Chinese Nieuwjaar uitgebreid gevierd in Trang. Een paar avonden er aan voorafgaand was er een festival met heel veel etenskraampjes en een groot podium met optredens. Daar was het steeds een gezellige drukte. Zo was Trang ook een geschikte plaats het Chinees Nieuwjaar af te wachten – vorig jaar hadden we immers slechte ervaringen gehad met het reizen op die dag.

Deze tekening heb ik gemaakt in een Chinees theehuis (Sino Chai, Chinees thee) waar ik verschillende lekkere kopje koffie gedronken heb. De theehuizen zijn een van de  kenmerken voor de Chinese bevolking van Trang. Maleise invloeden zie je weer terug in de naam, afgeleid van Terang, wat “licht” betekend.

Chaiya

Per trein reisde ik verder, 230 km naar het noorden. Langs rubberbossen, bananenbomen, verwilderde stukken, huizen en hutjes, heuvels. Omdat de slurf van Thailand slingert, ging ik met een rechte lijn naar het noorden toch van de west- naar de oostkant.

Chaiya is een heel klein stadje, met maar twee straten, waar bijna alle huizen nog van hout zijn. Om 7u ’s avonds is bijna alles dicht en donker.

Chaiya komt van het sanskriet woord “yaja” dat overwinning betekent. Meer dan 1000 jaar geleden was het een belangrijke stad in het Sri Viyaja rijk, dat Sumatra, Java en het Maleisisch schiereiland tot Chumphon besloeg. De Javaanse invoed zie je terug in de stijl van de tempel.

Chumphon

Het ging verder met de trein naar het noorden, 130km. Chumphon is de eerste plek waar je niet meer van een westkant en een oostkant van Thailand  kunt spreken. De westkant is namelijk Myanmar (Burma).

Chumphon zou komen van “Chumnumporn”, wat “verzamelplaats van strijders” betekent. Dat zou dan kloppen met dat het een grensstad was van het Sri Viyaja rijk. Een andere uitleg is “verzamelplaats van vriendelijke mensen”… Het is een middegrote stad die tegelijk stads en landelijk aandoet.

De meeste toeristen hier zijn, net als in Trang, op doorreis naar eilanden. Maar er bleek ook een strandje op het vaste land te zijn…

Stranddag

Het was dat ik zeker wist dat ik aan de goede weg stond, anders was ik gaan twijfelen. De songthaew liet lang op zich wachten, en om in de schaduw te kunnen schuilen van een parasol van een straatkraampje, moest ik blijven staan. Maar uiteindelijk doemde hij toch op: de gele songthaew naar het strand. Hij zat vol met dames die op de markt verse inkopen gedaan hadden. Die stapten voor en na uit. De rit was 15km, 20minuten, toen draaiden we een weg op die parallel aan het strand liep. Tussen de weg en het strand strandtenten, meest palen met een rieten dak, aan de andere kant huisjes en hotelletjes. Het bleek een flinke strip te zijn, een heuse strandgemeenschap met tientallen westerse toeristen.  Meer dan in Chumphon zelf. Veel van de strandtenten waren nog dicht, op een terrasje zaten toeristen te ontbijten of met hun rugzak te wachten tot mijn songthaew terug zou gaan. Vroege jaren 70 pop… Ik nam er een colaatje bij.


Ik maakte een strandwandeling. Hoewel het strand recht liep, zou je het een baai kunnen noemen: zowel aan de noord- als aan de zuidkant stak een beboste heuvel de zee in. Het water was frisser dan je zou verwachten, misschien vanwege de stormen van de afgelopen week. Die hadden ook voor flink wat drijfhout, grote kwallen en zelfs een vissers-lamp gezorgd. Er was een handjevol mensen op het strand. Het was er ook al erg heet in de zon, en niemand ging ver het water in. Waarschijnlijk stond er een krachtige stroming. Ik liep op blote voeten een stuk door de uitlopers van de golven, en een stuk over de weg terug. Veel plaatsen zagen er gesloten, te leeg of te seafood uit. Zo kwam ik toch weer bij het cafeetje waar ik eerder ook al gezeten had. Het was gewoon het gezelligste van de strip. Ik bestelde een path thai die heel aardig smaakte.

De afgelopen twee ochtenden had ik bij het ontbijt al een paar keer vriendelijk geknikt naar een medegast, een veertiger. Die liep nu voorbij. Reden genoeg om even aan te schuiven en een pratje te maken. Hij was eergisteren in Thailand aangkomen, voor zes weken, om zichzelf te vinden. Hij hoopte aan dit strandje een onderkomen te vinden en zou proberen tot rust te komen. Oh nee, corrigeerde hij zich tot twee maal toe, hij moest het niet probéren, het moest vanzelf komen. Na een praatje ging hij verder, zijn onderkomen regelen. Dat kwam zeker niet vanzelf…

Ik nam nog een iced coffee (americano met echte koffie smaak) en wandelde nog een klein stukje langs de weg tot de songthaew er aan kwam. Terug naar Chumphon.

Prachuap Khiri Khan

165 km met de trein van Chumphon naar het noorden. Prachuap Khiri Khan betekent “stad bij de bergen”. Opmerkelijk voor een stad aan de kust. Maar inderdaad, in haar rug ligt de bergketen die de grens met Myanmar vormt – hier is Thailand op z’n smalst, slechts 10km breed.

Eerder deze reis schreef ik dat we al na een jaar naar Satun waren teruggekeerd om het nog een keer te zien zoals we het vorig jaar hadden achtergelaten. Het gelijk van deze benadering werd jammer genoeg bewezen in Pachuap. Vier jaar geleden was ik een week in een stil stoffig stadje. Er waren wel wat buitenlanders maar die vielen weg tegen de achtergrond van het trage dagelijks leven van de Thai, de houten huizen, de vissers, en de baai die tegen de boulevard klotst. En ik ontmoette leuke mensen waar ik mee optrok.

Nu kon ik er drie dagen lang niet over uit hoe zeer alles veranderd was. Er waren talloze hotels en restaurants bijgekomen, en in een flink deel van de stad overheersten de toeristen het straatbeeld. Geen idee wat ze hier deden, want de charme was toch dat er niets doen was!? Waarschijnlijk was het voor iemand die voor het eerst kwam nog steeds een rustig, gemoedelijk stadje, met visrestaurants die uitkeken over een sprookjesachtige baai.

Nachon Pathom

255 km naar het noorden met een langzame trein die ook nog eens een uur vertraging had. Met de trein is leuk en comfortabel en gemakkelijk – je begint en eindigt in het stadscentrum – maar snel is het niet. Na die 6 uur was ik door een warme föhn uitgedroogd en door en door gaar. En de treinverbinding was de aanleiding voor een overnachting in Nachon Pathom. Een aangename, door en door Thaise stad, die als enig nadeel had dat er in de buurt van het station geen fatsoenlijk hotel was.

De naam komt uit het Pali waarin "Nagara Pathama" "eerste stad" betekent, en het wordt beschouwt als Thailand's oudste stad. Vroeger lag het aan zee, en zo'n 1500 jaar geleden had het al contact met Indiase culturen. Er zijn geschriften gevonden in een Zuid Indiase taal uit de 7de eeuw. Het is ook de plek waar het Buddhisme het eerst Thailand bereikt zou hebben, en de plek van de oudste Chedi. De Chedi is een aantal keren verwoest, herbouwd en uitgebreid, en zou nu de grootste ter wereld zijn. Met mijn timmermansoog had ik daar wel mijn twijfels bij.

Kanchanaburi

Kanchana betekent “gouden” in het Sanskrit en Hindi. De stad is oorspronkelijk gebouwd als vestiging tegen Burmese invasies. Des te ironischer dat het nu vooral bekend is vanwege de Burma spoorlijn, aangelegd door dwangarbeiders en krijgsgevangenen in de tweede wereldoorlog, om het Japanse leger in Burma te bevoorraden.


Een van de sleutel trajecten was de brug over de rivier de Kwai, tot icoon gemaakt in de legendarische film “Bridge over the River Kwai”. Nu bezoeken duizenden mensen per dag de brug. Het lijkt meer een foto-moment dan een geschiedenis-les. Misschien zijn daarvoor de oorlogsbegraafplaatsen en de locatie van de Hell Fire Pass meer geschikt.

Na Songkhla en Prachuap Khiri Khan, waar Japan Thailand binnenviel, was het zo de derde plaats op deze reis met een nadrukkelijk WWII verleden.

Vanuit Kanchanaburi is ook veel natuur te bezoeken, watervallen, grotten, olifantenkampen en tijger tuinen. Er is zo een toeristisch wijkje ontstaan waar backpackers mengen met mensen die Bangkok ontvluchten voor het weekend. Ik zat een aantal dagen in een prettig guesthouse, direct aan de rivier, met een paar goede restaurants binnen handbereik.

Ook binnen handbereik nog een stukje wildlife: naast en op de bamboe takken, die tussen de raft en de wal voor mijn veranda lagen, zat een varaan. Eerst stak alleen een kopje uit het water. Toen een bovenlijf. Toen klom-ie langzaam op de takken. Modderig zwart-donkergele vlekken. Hij keek even rond en gleed langzaam terug het water in.  Het lijf was zo’n halve meter lang.

Bangkok

De naam Bangkok is misschien een samenstelling van “Ban” (Thai voor "dorp aan een riviertje") en “Makok” (Spondias dulcis, ambarella, kedondong, golden apple, golden plum - een plant die hier voorkomt). Wat Arun, een van de belangrijkste tempels in de stad, heette vroeger ook Wat Makok. De officiële Thaise naam voor de stad  is Krung Thep, wat “stad der engelen” betekent.

24 jaar geleden ontdekt: dat kleine steegje, Kasem San Soi 1, bij Siam Square als alternatieve verblijfplaats, ver van backpackers getto Ko San Road en van de beruchte uitgaanscentra als Patpong. Inmiddels is Siam Square het knooppunt van de Skytrain en zijn de meeste eenvoudige guesthouses in Soi 1 vervangen door middenklasse hotels. Maar het is nog steeds een perfect gelegen en relatief rustig stukje Bangkok. Er aan komen lopen voelt als thuiskomen.

Ik ontdek nog wat nieuwe plekjes in de buurt, en geniet van de voetpad langs het kanaal, waar Bangkok nog een dorp is, in de schaduw van de wolkenkrabbers.

Ik breng een bezoek aan de Erewan Shrine, het tempeltje op de hoek van het Erewan gebouw was in de loop der jaren uitgegroeid tot een van de populairste van de stad. Ook bij Chinese toeristen. Daarom was er vorig jaar augustus een bomaanslag op gepleegd. Daar was niets meer van te zien, en het was er zo mogelijk nog drukker dan vroeger. Talloze bezoekers verdringen zich, bloemen worden over de ballustrade gehangen, offerandes gedaan, zoveel wierrook aangestoken dat je ogen er van gingen tranen, en het gamelan orkest met dansgroep dat je een lied kon laten spelen voor extra voorspoed. Dat alles rondom een klein gouden beeldje met vier gezichten, meer Hindoeïstisch dan Buddhistisch. Het was een fascinerend plekje, onder de skytrain, aan een drukke kruising, tegelijk toeristische attractie en heiligdom, tegelijk hectisch en devoot.

Iedere grote stad heeft tegenstellingen tussen arm en rijk, mooi en lelijk, oud en nieuw. Maar het meest bijzondere aan Bangkok is misschien wel dat temidden van drukte, ruimtegebrek, lawaai, luchtvervuiling en chaos de sfeer gemoedelijk, ontspannen en vriendelijk is.


---
Zuid Thailand, 4-27 februari
Terug naar aflevering 1.

zondag 31 januari 2016

India Nieuwsbrief, Jaargang 2016, Aflevering 3: het Diepe Zuiden van Thailand

Het Diepe Zuiden

Het Diepe Zuiden van Thailand is een andere wereld dan het “Zuid Thailand” waar mensen op vakantie gaan en genieten van eilanden, strand en zon. Het Diepe Zuiden was tot 100 jaar geleden samen met het noorden van Maleisië een semi-onafhankelijk sultanaat, dat toen door de Britten en Thai onderling opgedeeld is. Door de andere taal, cultuur, godsdienst en geschiedenis is het nooit helemaal hetzelfde geworden, alle Thaise assimilatie-pogingen ten spijt. Bij vlagen laait ook een onafhankelijkheidsstrijd op die gepaard gaat met aanslagen. De kern van dat gebied mijden we dan ook, maar de lijn Songkhla – Hat Yai – Satun is als het ware de bufferzone. Er komen nauwelijks westerse toeristen, al zijn er wel expats.

In Hat Yai en Songkhla is het straatbeeld Thais / Chinees, terwijl Satun er juist weer meer Maleis uitziet.

Het weer deed wat je mocht verwachten. In Hat Yai en Songkhla hadden we nog een enkele stortbui. In Satun was het droog en warmer, de ene dag drukkend, de andere dag stormachtig, steeds tussen de 30 en 35 graden. Alleen trok de noordoost moesson een paar dagen sterk aan, waardoor we veel bewolking en een mals regenbuitje kregen, en de temperatuur even onder de 30 zakte. Brr.

Hat Yai

Hat Yai is de grootste stad van Zuid Thailand en als transport hub nauwelijks te vermijden. We komen er dan ook drie keer. Eigenlijk een heel aangename stad, met per straat een steeds weer verschillend beeld. Het absolute landmark is het 40 verdiepingen hoge Lee Garden Plaza Hotel. Verder zijn er verschillende grote moderne malls. Dan heb je typische Thaise winkelstraten met banken, opticiens, schoenenzaken, kledingzaken, Seven-Elevens, etc. En daartussen de nog iets kleinere straten waar nog houten huizen staan, ambachtelijke werkplaatsen open aan de weg liggen, poezen voor de deur op de stoep slapen, oude mannetjes bij elkaar zitten te roken, de was buiten hangt.

We bekeken een Thaise tempel waar het geld voor de nieuwbouw blijkbaar op was. Door drie verdiepingen ruwbouw met resten cement en afval, kwam je bij de gouden stupa op het dak – de marmeren tegels daaromheen waren ook slechts gedeeltelijk gelegd.

We namen een kijkje bij het treinstation, met treinen naar Kuala Lumpur, Penang, het nog diepere zuiden en naar Bangkok. De klok sloeg zes uur. Over de luidsprekers werd het volkslied gespeeld. Iedereen staakte waar hij mee bezig was, en geüniformeerd personeel ging in de houding staan.

Songkhla

Over Songkhla hadden we nauwelijks praktische informatie gevonden. De eerste schreden op zoek naar eten waren dan ook ouderwets moeizaam. De Thai doen buiten de toeristische gebieden werkelijk óveral dieren door, dus je kunt nooit gewoon wat aanwijzen en opeten. De receptioniste van ons hotel sprak geen woord Engels, geen enkel opschrift was in Latijns schrift en we wisten niet waar het centrum was.

In de eerste buurt die we doorliepen, was helemaal niets wat ook maar in de buurt van eten kwam. Vervolgens kwamen we bij een warenhuis of kleine mall. Daar zou toch een food court moeten zijn? De vraag naar het food court werd door een verkoopster beantwoord door drie vingers op te steken. En op de derde verdieping was inderdaad een hoek met de mini food loft. Een mooi concept, maar er was maar één stalletje open en dat had maar één gerecht in de display dat geen dier leek te bevatten. Tot we er mee aan tafel zaten – bah, toch niet OK.  Hmm, we twijfelden er niet aan dat er in deze stad iets te vinden moest zijn, maar of het voor deze lunch nog zou lukken?

Rondom het warenhuis waren een heleboel winkeltjes met uitstallingen en waren en luifels die het zicht blokkeerden. Zodoende zag ik pas vlak voor ik er was de binnenkant van een luifel waar - in spiegelschrift dus – vegetarian food op stond. Het was een Chinees vegetarisch lunchbuffet, dat in iedere stad van enige omvang bestaat maar niet altijd te vinden is, omdat alleen mensen die er daadwerkelijk eten ermee bekend zijn. Vandaag was het onze redding, ook al was het niet de beste in z’n soort.

Later zouden we nog lekker eten in een café waar de serveerster heel behulpzaam was en een beetje Engels begreep – communicatie is de sleutel tot succes.

Songkhla is een oude havenstad met invloeden uit China, Portugal, Maleisië, India. Dat zie je terug in de verschillende bouwstijlen, en er is ook een Chinees wijkje en een Islamitisch wijkje. De ligging is prachtig, op een landtong tussen een grote baai en de Golf van Thailand. Er zijn heuvels en stranden. Voor bezoekers uit de regio is de grootste attractie de bronzen zeemeermin op het strand – ze werd voortdurend beklommen voor fotomomenten. Maar het blijft toch vooral een rommelig en te druk stadje.

Satun

Van Songkhla naar Satun is van de oostkust naar de westkust, over de bergketen die de ruggengraat vormt van de slurf die onder Thailand hangt. De kortste weg zou door Maleisië geweest zijn, maar ons visum stond geen re-entry toe en op die route was het ov zo mogelijk nog  minder dan op de noordelijke route die wij namen.

Het straatbeeld in Satun is islamitisch met de grote moskee naast de clocktower, de meeste dames met hoofddoekje, Maleise en Arabische opschriften, restaurants met een “halal” certificaat en vijf keer per dag de sfeervolle oproep tot het gebed uit verschillende richtingen op verschillende afstanden met verschillende gezangen. Daar staat overigens uren per dag Thaise propaganda tegenover door openbare luidsprekers en vanaf schoolpleinen.


Satun heeft nog dezelfde ontspannen end-of-the-road sfeer van vorig jaar. Er lijken iets meer buitenlanders (ofwel op doorreis naar een tropisch eiland, ofwel visa-runnende Langkawi overwinteraars, ofwel yaughties die hun boot op de goedkope werf hebben) maar die hebben het stadje nog niet aangetast. Datzelfde Satun nog een keer zien was ook de reden dat we al zo snel weer een reis naar dezelfde bestemming hadden gepland. Té vaak heb ik bij terugkomst op mooie plekjes jaren later moeten constateren dat het niet meer hetzelfde was…

We logeerden weer in hetzelfde “resort” als vorig jaar, een heerlijk plekje iets buiten het centrum.

We genoten enorm van ons huisje, zaten op de veranda of bij het zwembad, lazen of schreven reisverslagen of toetsboeken, maakten kopjes koffie of thee en schilden tropisch fruit, waarvan de smaak een andere dimensie heeft dan wanneer het in Nederland is aangekomen. Twee keer per dag wandelden we het stadje in voor lunch en diner.

De koffieshop-explosie in Satun deed niet onder voor die in Amsterdam. Er waren flink wat nieuwe cafeetjes en stalletjes. Maar wij gingen naar ons favoriete stalletje van vorig jaar. De barista van toen werkte er niet meer, drie maanden geleden had ze een baby gekregen en nu wijdde ze zich aan het gezinsleven. Haar opvolgster was vast ook aardig, maar ze miste de toewijding, aandacht en liefde waarmee Mah ieder kopje koffie klaarmaakte.

Happy cow

Na boodschappen gedaan te hebben bij de Big C, wandelden we nog even langs de grote weg om de sfeer te proeven. Daar was een leuk zitje bij een melk-bar. Lachende koeien en alles fris groen. Kom, we doen een drankje. De drankjes waren wel erg… melkerig. Maar ja, wat verwacht je in een melk-bar?

Het was hier zo gezellig dat we besloten ook een hapje te eten: rijst met een gefrituurd ei en roti met gecondenseerde melk. Weer melk… Aan de grote weg, tussen de Thai, met het goedlachse personeel. Het is moeilijk uit te leggen, maar dat was zo’n moment dat je je helemaal thuis voelt en  waar je de lange reis voor maakt.

Verlegen meisjes

We maakten een wandeling door de mangrove die tot aan de stad komt. In de berm van het dijkje waar we overheen liepen kleine en grote gaten van krabbetjes. Mudskippers gleden door de modder. Het bos zelf stond tussen sprookjesachtig en spookachtig met de kale stammen en vreemd vertakkende wortels.

Verderop kwamen we langs een bocht in de rivier waar wat houten huisjes stonden en kreeften-kweekvijvers uitgegraven waren. Nog iets verder een stenen huis waar wat kinderen aan het joelen waren en dames in sarong aan het mandiën waren. Is Satun al een wereld verwijderd van Bangkok, ook hier is het alweer totaal anders dan in het stadje. We liepen door tot een houten brug over de grote rivier. Ze waren bezig de planken van het wegdek te vernieuwen, maar de draagbalken en pilaren waarop de nieuwe hardhouten latten vastgetimmerd werden, leken allerminst stabiel.
 

We pauzeerden even op het erf van een huis, een oude man nodigde ons uit onder de veranda te komen zitten. Hij rookte flinterdunne sigaretjes en zijn (klein?)dochtertjes bekeken ons van binnen door het raam – te verlegen om iets te zeggen of buiten te komen.











Minaret

We bezochten de centrale moskee. De goudkleurige gewelfde koepel had een fraaie moderne uitstraling – uit de jaren ’70 betontijd. De hal zelf was opvallend kaal. De muren waren  opengewerkt waardoor het er heerlijk luchtig en koel was. De wasruimte was ook knap minimalitisch uitgevoerd – stijlvol zonder enige franje. We wilden net weg gaan toen een oud mannetje gebaarde of we niet naar boven wilden? Ja hoor. Hij verdween in een soort kelderhok en kwam terug met eeen sleutel. Daarmee opende hij een hek op de eerste verdieping en de deur onderin de minaret. We beklommen de betonnen trap met ook een minimalistisch uitgevoerde trapleuning – een misstap en je zou er onderdoor verdwijnen. Het was een hele klim, en op de omloop boven had je dan ook een schitterend uitzicht. Satun lag aan onze voeten. Je zag nog eens goed wat een klein stadje het was, omringd door groene vlaktes en iets verderop de bergen.

We stonden een tijdje te genieten. Misschien was dit wel de eerste keer dat ik boven op een minaret stond? Terug beneden was het mannetjes het wachten blijkbaar beu geworden. Hij was verdwenen. De deur had hij weer met een ijzerdraadje dicht gedaan, dat kon je van binnen gemakkelijk open maken. Maar op het hek zat het hangslot ook dicht. Hmm, daar klom je niet zomaar over. Nee, er was geen andere trap. Nee, we zagen hem ook niet beneden zitten. Nee, het slot kreeg ik echt niet open. Een ander oud mannetje zag ons staan. Zonder iets te zeggen of te gebaren verdween hij. Maar hij kwam een paar minuten later wel terug met de sleutel.


Lees verder in aflevering 4.    
Thailand, 14-31 Januari 

Terug naar aflevering 1.

donderdag 14 januari 2016

India Nieuwsbrief, Jaargang 2016, Aflevering 2: Maleisië op herhaling

Feest der herkenning

Kuala Lumpur was een feest van herkenning. Het was precies een jaar geleden dat we hier anderhalve week waren.  (Zie vorig jaar)

Het was heel leuk om zo vertrouwd te zijn, zoveel te herkennen, te zien wat veranderd was, welke zaken verdwenen en verschenen, de voortgang van de oever-beautification te aanschouwen, de weg te weten, de sfeer te voelen. We hadden hetzelfde hotel, en zelfs dezelfde kamer. We aten bij de restaurants die we vorig jaar het beste vonden.

KL had dat aangenaam rommelige, levendige, bonte, gastvrije karakter behouden. Daarvoor nam je de viezigheid, het kapotte wegdek, de ontbrekende rioolroosters en de verkeersdrukte voor lief. Het kleurige straatbeeld dankzij de drie bevolkingsgroepen, waarvan de vrouwen ieder hun eigen kledinggebruiken hadden, daarbinnen ook weer traditioneel en modern: Indiase vrouwen in spijkerbroek; Chinese vrouwen in korte broek of zakelijk rokje; Maleise vrouwen met fleurige hoofddoekjes.

Het weer was meer alles of niets: schroeiende zon afgewisseld met stortbuien. De zonnestraal die altijd scheen was de glimlach van de Maleisiërs.

Taman Negara

Taman Negara, het national park in de binnenlanden, konden we vorig jaar niet bezoeken vanwege overstromingen. Dat was dit jaar geen probleem. Maar de spoorlijn die we vanaf Taman Negara zouden willen gebruiken om door te reizen, was sindsdien jammer genoeg nog steeds niet hersteld. 

Op het metrostation namen we de verkeerde ingang – om op het juiste perron te komen moesten we door een doolhof van roltrappen, gangen, trappen, corridors. Op het grote busstation aangekomen bleek dat onze bus niet daar vandaan vertrok. We zouden naar een ander busstation aan de andere kant van de stad moeten gaan.

Op reis gaan dingen wel vaker niet zoals gepland, maar sommige dagen kun je het beter hebben dan andere. We besloten de voortekenen niet langer te negeren en Taman Negara uit te stellen tot de volgende reis. We namen een bus naar het vertrouwde Penang.

Penang

Over Penang zou ik alles kunnen herhalen wat ik hierboven over KL schreef.

We woonden aan de rand van Little India. Deze wijk is eigenlijk een verbeterde uitvoering van het grote India. Alles was op loopafstand; de infrastructuur was beter; het was schoner; het eten was lekkerder (waarschijnlijk vanwege de hygiëne en betere ingrediënten); gerechten uit allerlei regio’s waren in één straat te vinden; de Indiërs hier waren opener en goedlachser (ongetwijfeld Maleise invloed).

Het weer was heerlijk, zo'n 30 graden, zonnig, en dankzij de zeelucht heel aangenaam.

We kwamen helemaal in de vakantiestemming. We genoten van kopjes koffie op een terrasje, van lekker eten in Litle India, van de zwoele vooravonden aan de boulevard. Het enige nadeel wat er te bedenken was, was dat we ook weinig bijzonders beleefden en daarmee geen stof opdeden voor de nieuwsbrief.

Wildlife

We maakten één uitstapje naar de andere kant van het eiland. Met de bus dwars door het midden. Dus eerst Georgetown uit, dan bijna naadloos over in een voorstadje aan de voet van Penang Hill. Daarna staken we de heuvelrug over. Dat was het enige stuk dat niet dicht bebouwd was, en waar naast de weg direct de oorspronkelijke jungle lag: groene en groots.

Balik Pulau is een flink dorp waarvan de hoofdstraat nog verrassend druk met verkeer was. Misschien is het wel de enige plaats op Penang zonder torenflats. We wandelden eerst de hoofdstraat op en neer. Allerlei kleine winkeltjes in oude huizen, waaronder een oude zilversmid. We dronken koffie bij een cafeetje waar direct voor de deur een mevrouw allerlei snacks verkocht. Het was meteen een heel andere sfeer dan in de stad.
 

Maar écht anders werd het toen we een wandeling maakten door de kampong achter het café. Vrijstaande huizen aan een slingerend zandpad, allemaal met een flinke tuin, kippen, bloeiende planten en her en der bananenbomen. En allemaal een auto op de oprit. Hier was het doodstil, idyllisch, een andere wereld. Er stroomde glashelder water door een beekje met een bodem van wit zand en de oevers dicht begroeid. Ineens een heleboel geploms en gespetter. Er bewoog iets wild in het water. Een vis? Een otter? Nee, het was een grote varaan. Het lijf zo dik als een been, met staart minstens een meter lang. Het rende of spartelde wild en in hoog tempo door de beek. Van ons vandaan, tot die na een meter of 30 een bocht om ging. Dat was spectaculair! Een van de meest spectaculaire ontmoetingen met een varaan/hagedis die ik ooit meegemaakt heb.

Bouwplaats

In Singapore lijkt men zich bewust van de grenzen van het eiland. Er wordt veel afgebroken en herbouwd. In Kuala Lumpur en Penang daarentegen breiden de steden ongebreideld uit. Het oerwoud wordt gekapt en hele satelietsteden verrijzen, terwijl oudere delen leegstaan of teloorgaan. Op Penang worden te pas en te onpas enorme torenflats gebouwd, waarbij je betwijfelt of er genoeg mensen zijn om die allemaal te gaan bewonen.

In het oude centrum van Georgetown staat ook veel leeg, maar wordt wel op oude plots herbouwd, waar bij je je afvraagt of restauratie geen beter idee zou zijn.

Naast ons hotel, op het aangrenzende plot land, werd gebouwd. 7 Dagen per week van kwart over zeven tot tegen middernacht. Het kon ons dus niet ontgaan. De eerste avond schrokken we van al het lawaai, maar we wenden er eigenlijk vrij snel aan.

We keken uit op vier containers/bouwketen (in een ervan woonde de dag-en-nachtwaker) en vier enorme tanks voor olie of diesel of water. Het zware werk gebeurde meer naast ons maar niet zichtbaar vanuit de kamer. Wel vanaf straat. Vier hijskranen en een graafmachine waren constant bezig, meestal tegelijk op het plot van 20x50 meter. Het leek een chaotisch gekrioel van allerlei activiteiten vlak bij en door elkaar, en het was een wonder dat iemand overzicht zou kunnen hebben.

De architect/ingenieur waagde  zich niet tussen de grote machines en hield vanaf de straat een oogje in het zeil. Ze waren bezig met de fundering, legde hij uit. Niet heien, om de naastliggende panden te sparen, maar een nieuwe techniek: er werd een 15 meter diep gat geboord, dat werd met polymeren bekist (waarvoor een generator vlakbij getakeld werd, omdat de stroomkabels mee tot onderin het gat moesten) en dan werd er door een trechter met slurf (die ook weer aan een hijskraan hing) beton in gestort. Ondanks die nieuwe techniek stond ons hotel zo nu en dan te trillen op de grondvesten. Ik vroeg me af of dat wat te maken kon hebben met de barst in ons plafond, waar tijdens onze laatste nacht op Penang, bij de eerste regenbui, water door druppelde. Op ons hoofd. We moesten zelfs verhuizen naar een andere kamer…

Tenslotte

We verlieten Penang en Maleisië met de veerboot en de nieuwe snelle trein. Door groene vlaktes van rijstvelden en de laatste rubberbomen die nog geen plaats gemaakt hadden voor palmoliepalmen. De trein eindigde bij de grens. Via een loopbrug over de goederenemplacementen kwam je uit bij de Maleisische grenspost. Daarna was het 500 meter lopen door een soort “niemandsland“ naar de Thaise grenspost. Ik was de Maleisisch-Thaise grens in het verleden overgestoken per vliegtuig, per trein en per boot. Dit keer dus te voet.

Aan de Thaise kant waren geen voorzieningen en we hadden de grootste moeite wat Ringgit te wisselen voor Baht. Daarna begon het lange wachten op een bus. We hadden de hoop nog niet opgegeven, toen een auto stopte en ons een lift aanbood voor de laatste 55 km naar Hat Yai. Ongewild hadden we weer een behoorlijk ongebruikelijk en ingewikkelde route genomen.

Hoe het verder gaat in Zuid Thailand lees je in aflevering 3.
Maleisie, 4-14 januari


Terug naar aflevering 1.