maandag 26 januari 2015

India Nieuwsbrief, Jaargang 2015 Aflevering 3: Drie maal is scheepsrecht?

Penang
Penang is officieel het eiland en de deelstaat, Georgetown de stad, maar ook die kun je Penang noemen. De stad heeft een oud historisch centrum, Unesco erfgoed, dat weer een koloniaal deel heeft met statige Engelse gebouwen, en een veel groter deel daaromheen met veel oude Chinese huizen, tempels en kongsi-gebouwen vol rode en gouden lampions. Veel oude panden zijn mooi gerestaureerd. Daar tussendoor groene moskeeën en bonte Hindu-tempels. Er midden in de straatjes die Little India vormen. De Bollywood- en tempelmuziek die over straat galmt; de geur van specerijen die over straat drijft; de winkels met stainless steel potten en pannen; de levendigheid en de kleuren; de vrouwen die in gekleurde sari's of bonte churida's of spijkerbroek door elkaar lopen, soms met hun lange zwarte haren helemaal los. En daarnaast twee backpacker-straatjes. De backpackers vallen echter in het niet bij de grote aantallen Aziatische toeristen.

De bewoners hadden intussen zo hun eigen plekjes, veelal toch etnisch gegroepeerd. Hier zag je een straatmarkt waar allemaal Chinezen aten. Daar was een stuk boulevard waar volop Maleise gezinnen flaneerden. En dan liep je langs een café dat vol zat met mensen van het Indiase subcontinent. En ze waren allemaal even vriendelijk en open, wat weer meer een Zuidoost-Aziatische eigenschap is.
Het historisch centrum was opgeleukt met straatkunst. Veel kunst. De meeste aandacht trok een serie grote muurschilderingen, waar iedereen mee op de foto wilde. Daarnaast was er een serie figuren/afbeeldingen in ijzerwerk. En dan de nodige wannabe galerieën.
De eerste dagen in Penang wandelden we eenvoudigweg veel rond door het centrum, en namen het allemaal in ons op. We wandelden door het Eastern and Oriental Hotel, waar William Somerset Maugham ook was geweest. We bekeken het kerkhof uit de koloniale tijd, waar de meeste mensen veel te jong gestorven waren aan tropische ziekten. We vonden een stamcafé, waar we bijna iedere ochtend een kopje koffie gingen drinken. Ook hier weer volop lekker eten. Er waren foodcourts en vegetarische Maleise, Chinese, Indiase en Japanse restaurants.
Wat hielp te genieten van dit eiland was het stralende weer: vanaf dat we hier aankwamen was het helder blauw en zonnig, een graad of 32, en dankzij het zeebriesje toch nog uit te houden.

Intussen zijn we binnen ons hotel naar een andere kamer verhuisd: goedkoper en beter, met uitzicht op zee en een soort van balkon - al kun je daar alleen via de nooduitgang komen. De schoonmaakster uit Medan groette ons vanaf het begin met haar stralende lach. Met de receptioniste en de manager, die eerst wat formeel waren, hebben we inmiddels een warme band opgebouwd. We weten alles over haar kinderen en de gezondheid van zijn moeder, en bespreken wat er zoal komt kijken bij het runnen van een hotel. Hij is er een half jaar geleden zonder enige ervaring mee begonnen - voor zijn vader is het een investering.

De eerste excursie die we maakten, was naar de botanische tuinen.
De entree was meteen een plaatje: mooi aangelegde tuinen met vijvers met planten met enorme bladeren drijvend op het water. De tuinen lagen in een vallei of kom, omringd door heuvels met bossen. De tuinen waren ruim opgezet met grote grasvelden, groepjes exotische bomen, kassen, wandelpaden en een grotere rondweg. We vonden een plattegrondje en gingen als eerste richting een pad dat door de jungle liep naar de plek waar ooit de oprichter van de tuinen een huis had. Het was dan slechts de rand ervan, maar het was toch een stukje tropisch regenwoud waar we doorheen liepen. Hoge bomen torenden boven ons uit, waar parasietplanten op groeiden, die luchtwortels als een gordijn naar beneden lieten hangen, waartegen weer klimplanten omhoog groeiden. Het geluid van insecten en cicaden was een onmiskenbaar en continue gepiep.
Het pad liep een heuvel op en aan de andere kant weer naar beneden, waar een vijver was die ook via een gemakkelijker pad vanaf de weg te bereiken was. Daar was een drooggevallen bedding van een beekje. Als je daar een paar meter doorheen liep was het helemaal alsof je omringd was door het donkere bos. Een bejaarde Maleisiër die hier iedere dag wandelde, riep ons terug, het was gevaarlijk vanwege slangen.
We wandelden in een grote boog over het terrein, genietend van de schoonheid en de rust.

De tweede excursie was naar een Nationaal Park op het noordwest hoekje van het eiland. Hier liep de jungle tot aan de kust waar wat strandjes waren. Maar wij kozen een minder gebruikt pad dat meer door de jungle ging. Torenhoge kaarsrechte bomen waren de koningen van het bos. Daaronder de kleinere bomen, bosjes bamboe en palmen, reusachtige planten die op 1/1000ste schaal bij ons een kamerplant konden zijn, klimplanten en lianen zo dik als een been. Omgevallen bomen lagen te verteren, en een lange stam was al helemaal uitgehold. De bladeren ritselden in de wind en een beekje kabbelde tussen de rotsblokken.
Het was een prachtige wandeling, maar net iets te lang voor mij. Waarschijnlijk zat vooral het klimmen en moeizame dalen me dwars. Het laatste half uur was dus afzien, maar er was geen andere keus dan doorgaan. Terug in het dorp deed een colaatje wonderen. En een dagje rust deed de rest.
De natuur hier maakt een overweldigende indruk. De oerkracht, de overvloedigheid en de reusachtigheid vervullen je met ontzag. Heel wat anders dan wat we in Nederland "natuur" noemen: aangelegde, aangeharkte en zorgvuldig gemanipuleerde perkjes.
India
Sorry dat "India" terug blijft komen als thema. Maar dit keer kwam India op mij af. In de wijk Little India hadden we een restaurant gezien dat "Dindigul Biriyana" heette. Na meer dan tien jaar in Dindigul gekomen te zijn, konden we het natuurlijk niet laten daarvan een foto te maken en die aan Gé en Gemma te sturen. Gé op zijn beurt zette die op facebook met het bijschrift "wie weet waar dit is?". Heel snel kwam het antwoord van onze gezamenlijke vriend Vinodh: zijn neef Sasi managet een restaurant in Penang!
Vinodh heb ik jaren geleden leren kennen toen er een hele filmploeg was neergestreken in Holland House om opnames te maken van Engelse les zoals een taalinstituut die gaf. En die school was van de schoonzus van Vinodh. Hij was soort van toeschouwer bij de opnames, we maakten eens een praatje en hij leende me een boek. Hijzelf had een gereedschapswinkel in Dindigul, waar we sindsdien geregeld komen.
Uiteraard gingen we eten bij de Dindigul Biriyani. In eerste instantie wist Sasi niet wat hij met ons aan moest, en was een beetje verlegen. Maar zoals we het van Zuid Indiërs kennen, brak langzaam het ijs, en werd het toch nog gezellig. Een jaar geleden was hij naar Maleisië gekomen op verzoek van een vriend van zijn vader die hier een juwelierszaak had en wilde diversifiëren en daarom een restaurant ging openen. Een andere, wat oudere man was ook uit Dindigul gekomen en zat achter de kassa en leek nog iets hoger in de hierarchie te staan. Oh ja, de kok was ook overgekomen uit Dindigul. Om precies te zijn, de voltallige staf van 8 man was ingevlogen om in dit restaurant te werken. Ze kwamen allemaal uit dezelfde wijk van Dindigul.
De biriyani was uitstekend, misschien wel de beste van Dindigul. De zaak had een frisse moderne uitstraling. Niet een van die restaurantjes die je helemaal mee terug naar Zuid India neemt.
We overtuigden zelfs de manager van ons hotel er eens te gaan eten.

We gingen eten in een (ander) Zuid Indiaas restaurant. Hier had zich een ongekend stukje fusion voorgedaan. Het had alles van een authentiek Indiaas restaurant, maar ze serveerden ook namaakvlees in de Noord Indiase thali, en bij de ingang was een buffet waar je naast rijst zelf gerechten kon uitkiezen die op je bord geschept werden. Allebei deze elementen waren uit de Chinese keuken geleend. Dus er was toch wel wat uitwisseling tussen de bevolkingsgroepen. Zoals we al vaker Indiers bij de vegetarische Chinees hadden zien eten. En Chinezen bij de vegetarische Maleiër.

Thailand
Onze vlucht terug naar Amsterdam zal uit Bangkok vertrekken. Ons plan is om in kleine of grotere stappen over land tot Bangkok te reizen. Als je overland inreist, krijg je maar 15 dagen, en dat vinden we te kort. Dus moesten we een ochtend en een middag naar het Thaise consulaat. De aanvraag was eenvoudig en rechttoe rechtaan. Verreweg de meeste tijd waren we kwijt in de stadsbus die onmogelijke kronkels en lussen in de route heeft, en er oneindig lang over leek te doen.
Dit is de derde keer is dat ik me de overland route van Penang naar Bangkok heb voorgenomen. De eerste twee keer is het plan mislukt. Allebei de keren had ik eerder te veel tijd verloren in Bali respectievelijk Sumatra, en moest ik dat goedmaken door vanaf Penang te vliegen respectievelijk de nachttrein te nemen.

Ik ben dus heel benieuwd hoe het dit keer uit zal pakken. Op dit moment weten we nog niet hoe lang we nog in Penang blijven. Voorlopig bevalt het hier. E. is begonnen met het daadwerkelijk schrijven aan haar boek, en dat geeft mij gelegenheid in een café te zitten en een beetje rond te kijken. Dat bevalt me wel.

Penang, 26 januari 2015

Geen opmerkingen:

Een reactie posten